DEEL I

 

Gier in geel

 

Het overkomt hem altijd. Als hij met de trein gaat, maakt hij onbegrijpelijke vergissingen.

Een simpele fout, waarvan hij het slachtoffer werd, leidde weer tot een klein drama. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen dat ‘hij’ ik is, en ik¼niet vaak¼, zeg maar zelden, de trein neem als afstandsoverbrugger. Als ik er goed over na denk, maak ik misschien eens in de vijf jaar gebruik van dit geweldige vervoer­middel.

Geweldig?!

Ja natuurlijk! Want je zet jouw auto bij het station op een beveiligde parkeerplaats. Je stapt uit, sluit af en gaat met jouw bagage naar een automaat of een loket als dat open is. Je stopt er geld in, drukt op wat knoppen en ziedaar er komt een kaartje uit.

Natuurlijk niet bij een loket. Daar vraag je aan de vriendelijke man of vrouw of hij of zij een kaartje voor je kan uitprinten. Tegenwoordig gaat dat allemaal via de computer. Fouten worden niet meer gemaakt.

Dan is het wachten op het klasse vervoermid­del. De trein komt, als er geen vertraging is, altijd op tijd en brengt je naar jouw bestemming in een luxe fauteuil.

Op de bestemming aangekomen stap je verkwikt uit, spoed je naar een treintaxi of bus en in no time ben je op de uiteindelijke plaats van bestemming. Dit alles zonder stress, na het lezen van het ochtendnieuws en het nuttigen van koffie met gevulde koeken of zoiets.

Een echte treinomaan zal mij nu, met uitzondering van die gevulde koeken, uitlachen, mij voor gek verklaren of een dromer vinden. Dat laatste is waar. Toch wil ik voorkomen dat u dit verhaal, al dan niet uit oprech­te ver­ontwaardiging, niet verder wilt lezen. Daarom zet ik bovenstaande even in het juiste perspectief.

Als u mij driftig aan mijn jas trekt en zegt dat een treinreis, in veel gevallen, niet zo verloopt als hier boven geschilderd, geloof ik u meteen. Ter geruststelling o treinreizigers: Ik heb deze mening ook niet met overtuiging geuit. Maar ik ben meesttijds een optimist en soms een dromer en in die stemming schetste ik dit ideaal­beeld.

Dat had ik namelijk in mijn hoofd toen ik, na een lange bespreking in Düsseldorf, naar huis wilde reizen. Mijn relatie had mij op het station afgezet en vroeg of ik zijn begeleiding nodig had. Volwassen en trots als ik ben, wees ik dat vriendelijk doch beslist van de hand. Mijn Duits is goed genoeg om niet alleen de weg, maar zelfs naar de juiste trein en perron te vragen. Ook wilde ik niet toege­ven dat ik, normaal gesproken, een milieuvervuiler ben die zich bij iedere gelegenheid in een auto voortbeweegt.

 

Een kaartje kopen leek een eenvoudig onderdeel van mijn onderneming. In de grote, hoge hal van het stationsgebouw meldde ik mij bij een loket. Daar, achter dik glas als een vis in een kom, zat een forse, wat oudere Duitse spoorwegbeambte. Haar platte gezicht, leek opgemaakt met een eeuwigdurende glimlach die ‘s avonds waarschijnlijk doorgelopen zou zijn. In mijn beste Duits vroeg ik of zij mij een kaartje kon verko­pen, waarmee ik naar Utrecht in die Niederlan­de kon reizen.

Na enig gehannes – zo’n dikke glasplaat is niet bevorder­lijk voor goede communicatie vooral niet als het versterkende spea­kertje kraakt – kon ik een kaartje kopen. Ik betaalde de door haar gevraagde Euro’s en kreeg daarvoor een papieren flapje, mijn treinbewijs, en wat munten terug. Met veel omhaal bedankte ik de eeuwigdurende glimlach en keek om mij heen. Blijkbaar had deze eenvoudige operatie veel tijd gekost, want achter mij had zich een echte rij gevormd waarover een aura van ongenoegen hing. Snel stapte ik opzij. Net op tijd want een opdringende, dikke Duitser, voorzien van een opvallend grote hangsnor, sprong naar het loket en maakte zijn wensen aan de struise duidelijk in een onverstaanbaar dialect.

Ik stapte weg uit het ongenoegen en keek om mij heen. In de grote hal waar door hoge met gekleurd glas ingelegde ramen gefilterd zonlicht naar binnen viel, was het druk.

Stom, stom! Hoe kon ik dat nu vergeten!

Waarom had ik de loketdame niet naar het perron gevraagd. Met enige weerzin keek ik naar de rij. Achter aansluiten voor deze eenvoudige vraag leek niet verstandig en vastberaden ging ik op zoek naar een Bahnbeambte of een Schaffner. Op dit grote station zouden vast wel een aantal mensen van de Deutsche BundesBahn rond lopen, al of niet aardig, maar in ieder geval met kennis van tijden en perrons.

De vertrektijd op mijn kaartje gaf mij nog een half uur. Tijd zat. In een half uur kon de wereld vergaan, maar kon ik ook mijn perron vinden.

 

Door de intensieve besprekingen van die ochtend, voelde mijn keel als schuurpapier en op zoek naar iets drinkbaars, kwam ik langs een Bahnbeambte of was het een Schaffner? Ik kende de waarschijnlijk aanwezige verschillen niet, maar wat maakte dat uit. Ik moest weten van welk perron mijn trein zou vertrekken, dus stelde ik de man deze vraag.

Hij keek een beetje nors, maar wel begrijpend. Dat dacht ik tenminste. Deze geüniformeerde man in blauw zou het vast wel weten was mijn, helaas foutieve, gedachte terwijl ik de norse trekken probeerde te negeren.

Het bleek een Schaffner. Dat is dus iemand die in een trein zijn werk doet, maar niet weet hoe laat en waar andere treinen vertrekken. Niet getreurd, de man verwees mij naar de verschillende borden in de hal van het station.

Enigszins teleurgesteld keek ik op mijn horloge. Ik had nog 27 minuten voordat mijn trein zou vertrekken, dus ging ik op zoek naar iets drinkbaars. Een fast foodcounter bood uitkomst en een Cola was snel gekocht. Nu waren mijn Euro’s bijna “alle” zoals ze dat zo mooi in Duitsland uit­drukken. Misschien net voldoende om ­een kop koffie in de trein te nemen.

 

De drukte om mij heen was benauwend. Ik ging wat ach­teraf staan om daaraan te ontkomen. Leunend tegen een van de vele zware pilaren, die het dak van de hal leken te ondersteunen en staand op een verhoging, keek ik naar de gejaagde mensenmassa’s. In een schier oneindige stroom gleden passagiers de hal in, splitsten zich in verschillende stromen en verdwenen door lichte openingen naar een andere wereld. Een soort kudde die haastig voor mijn ogen langs trok. Haast, of is het stress, schijnt een vast onderdeel van de stationsfeer te zijn. De meeste mensen lopen sneller dan normaal, kijken recht voor zich uit met een verre, afstandelijke blik in hun ogen. Hun houding zegt anderen: ‘opzij, opzij ik hebt haast, ik moet ‘mijn’ trein halen’. Zelfs reizi­gers die aangeko­men zijn hebben haast, alsof zij dat comforta­bele vervoermiddel, de trein, zo snel mogelijk achter zich willen laten.

Peinzend over stress, zag ik dat de stroom van kuddedieren stokte, het werd rustiger. Juist daardoor viel hij nu op. Mijn aandacht werd getrokken door een man niet ver bij mij vandaan en toch midden in de hal. Hij was lang, heel lang en gehuld in een wijde, regenjas. Hij stak met kop en schouders boven de enkele, langs hem heen glijdende reizigers uit. Zijn jas was geel, geen eidooiergeel of plastic regenkledinggeel, maar mufgeel waardoor hij extra opviel.­ Een regenhoedje, achter op zijn hoofd, had dezelfde mufgele kleur en de gesloten para­plu was passend vaalbruin. Nog opvallender, door het sterke contrast, was de rode shawl, waarvan de knoop onder zijn lange nek bungelde.

Deze onwaarschijnlijke figuur leek, op het eerste gezicht, geen haast te hebben, want hij stond doodstil. Maar nauwkeuriger observatie leerde  dat hij in een staat van steeds groter wordende opwin­ding leek te komen. Mijn observatie werd gestoord door de plotseling sterke toename van de stromen van de kuddedieren die, in steeds grotere getale, zonder stof op te werpen, langs hem stroomden.

Allemachtig wat was hij lang. Hij kon, net als ik – maar ik stond op een verhoging – ruim over de voort­jakkerende reizigers heen kijken. Ik vroeg mij net af wat de man bezielde of waar hij naar zocht tot ik zijn gezicht fixeerde. De verwilderde blik in zijn ogen leek uit te lopen over zijn gezicht tot zijn kaken. Zijn kaakspieren bewogen wild en vervormden zijn gezichtstrekken. Iedere keer, slechts een moment, leek de grimas te verworden tot een masker. Een fascinerend, maar vreemd masker dat alleen mij en verder niemand scheen op te vallen. Zijn grote, lang gevormde hoofd met dat potsierlijk hoedje, draaide nu ritmisch op die lange nek heen en weer. Zijn adamsappel danste in de magere hals; daalde tot de rode shawl en schoot, met een soort klokkende beweging, weer omhoog tot onder zijn kin.

Ik stond openlijk te staren en kreeg een absurde, maar sterke impressie.

­In de zonovergoten vlakte van de stationshal was net een gier geland midden tussen een kudde wildebeesten die zich, zonder uitzondering en in volle galop, aan de verdwaalde gier voorbij persten. Hij was net zo opvallend als een rode klaproos in een, in de wind golvend, groen grasland. Maar dan anders. Het grauwe grijs van de stromen reizigers werd door zijn lichtend, mufgele aanwezigheid scherp geaccentueerd.

Ik nam een slok Cola en keek op mijn horloge. Shit, nog vijftien minuten. Werktuiglijk richtte mijn blik zich weer op de lange man, die meer en meer op mijn impressie begon te lijken. Zijn hoofd draaide schokkend in het rond. De grote, bolle ogen rolden door hun kassen op zoek naar… prooi? Alsof mijn ogen inzoomden zag ik de haartjes uit zijn grote haakneus, of was het snavel, komen.

Om hem heen werd het weer iets rusti­ger. De stromen grijze wildebeesten schenen op te drogen.

Met een ruk stond het hoofd stil, ging langzaam iets omhoog. De ogen, gevuld met een bijna waan­zinnige uitdrukking, hechten zich vast aan een blauw uniform dat, op enige afstand, in een grote diensttas rommelde.

Het tafereel was adembenemend en met ingehouden adem, grote ogen en open mond keek ik toe. Zelden heb ik een mens vanuit stilstand zo snel zien starten. Het leken grote vleugelslagen waarmee de man zich voortbewoog, alsof de om hem heen fladderende gele jas een voortstuwingsmechanisme bezat. De lange, magere gedaante leek te vliegen naar de kleine, in het blauw gestoken figuur. Hij stortte zich op de Beambte. Die hoorde het specifieke geruis natuurlijk niet door het stations­lawaai. Het was trouwens te laat. Veel te laat; ontsnappen was onmogelijk. Een flits van opkomende angst in zijn ogen verdween toen de gier met fladderende panden voor zijn voeten landde. Terwijl zich de stromen reizigers, onzichtbaar gemanipuleerd zo leek het, weer in gang zetten, boog de lange gele zich over de kleine blau­we.

Was het de afstand of het gevolg van intens staren, maar de indruk dat de lange nek schok­kend naar het gezicht van de kleine man ging deed mijn adem stokken. Een aanval?

Ik knipperde met mijn ogen, perste ze stijf dicht en na twee, mis­schien drie secon­den wilde ik het tafereel, de aanval van de gier op het blauw, volgen. Ik zag nog net het grote, gele beest klapwiekend dwars door een nieuwe kudde wildebeesten verdwijnen. De kleine, blauwe Beambte veegde met zijn mouw het zweet van zijn gezicht. Misschien was ik toch niet de enige die een rare gelijkenis in de lange man had waargenomen. Als de beambte een gelijk absurde impressie had gekregen, had hij, niet onterecht, angst gevoeld. Logisch, als uit het niets een grote, mufgele gier verschijnt die, al hakkend met zijn snavel naar jouw gezicht, naar het perron vraagt waar de gieren vertrekken.

Perron! Ik trok mijn ogen los van het wazig wordende beeld. Weg fantasie, ik moest óók naar een perron en snel. Vijf minuten had ik nog en wist zelfs niet welk perron. Ja, naar Nederland, maar dat stond op blauwe borden waarlangs ik haastig rende. Een perron-nummer bleef hangen en bij dat nummer aangekomen, rende ik een perron op en zag een man in het blauw. Gelukkig hulp was nabij en het kon niet meer mis gaan. Ik liet de man mijn kaartje zien. Hij knikte vriendelijk en wees in de richting van twee treinen die, aan beide zijden van het perron, klaar stonden om te vertrekken. Dus dit was de goede trein naar die Niederlände?

        “Ja ja, das war der juste Bahn,” wees hij nogmaals.

Snel trok ik mijn hijgende lichaam de trein in, zocht een zitplaats aan de rechterkant en ging zitten. Na de afkeer die ik gevoeld had van haastige mensen, kudden die zich zonder ontzag voor anderen, niet te stoppen en snel voortbewogen, had ik mij uiteindelijk óók zo gehaast.

Waarom? Ik had tijd genoeg gehad!

Enfin, gelukkig zat ik nu in de goede trein, had een zitplaats, niet in de zon en kon de reis wat mij betreft beginnen.

Vale gier