Deel II

De ‘Rus’

De trein die, naar mijn volle overtuiging, bestemming Nederland had, zette zich in beweging. Na de eerste, schokken vond het gevaarte zijn slaapverwekkende ritme en de licht nerveuze spanning, die zich meester had gemaakt van mijn maag, verdween.

Toch voelde de ontmoeting met de ‘gier’ aan als een slecht voorteken. Zou de treinreis vlekkeloos verlopen?

Nieuwsgierig, dat ben ik ook, nam ik mijn directe omgeving in mij op.

Tegen over mij, enigszins hangend op haar plek van de bank, een oudere vrouw. Daarnaast een vrolijk gekleed jong ding. Naast haar niemand en ook naast mij zat geen mens.  Door de vieze ruiten schenen zonnestralen op de zitplaatsen aan de andere kant van het gangpad. In het grillige licht, maar in detail zichtbaar, etaleer­de zich daar in zijn volle glorie een ware Walrus, mijn flitsende eerste indruk van de kolossale man.

Even draaide ik mijn hoofd, weg van het beeld. Maar nieuwsgierigheid is een curieuze gewoonte en ik draaide terug.

Hij zat bij het raam, pal in de zon. Ik fixeerde de gigant, die de ruime tweezitsbank volledig in beslag nam. Zijn enorme hoofd, vastzittend aan een vlezige nek, stond… nee het was anders.

Vooraf wil ik duidelijk maken dat staren geen gewoonte van mij is. Maar de enormiteit klonk mijn ogen, in tegenstelling tot die ongewoonte, aan hem vast.

Had ik al gezegd dat het hoofd kolossaal was? Het leek direct uit de ronde schouders van de man te groeien en in al dat oprijzende vlees en vet was een kin nauwelijks te herkennen.

Als vanzelf gleed mijn blik omhoog en hechtte zich aan een grote, brede mond met neerwaartse mondhoeken die, half ver­borgen onder een overmatige, borstelige snor van weerbarstig zwart haar, scherpe lijnen in het gezicht tekenden. De man moest weten dat hij er uitzag als een anachronisme. Het leek alsof hij zelfs moeite gedaan had om het effect van zijn vreemde, niet op zijn plaats zijnde voorkomen te versterken.

De snor, direct boven de vlezige lippen, was dik en net zo breed als de mond, maar hield daar niet op. Vanaf de mondhoeken groeiden twee harige punten, als een soort snorha­ren, nog een paar centimeter horizontaal langs de vlezige wangen om dan, in een lichte boog gelijk de mondhoeken, naar onder te eindigen.

Met moeite probeerde ik mijn opdringerige nieuwsierigheid te beteugelen en mijn blik af te wenden. Mijn voornemen faalde. In plaats daarvan keek ik naar de twee gaten die, direct boven de snor, midden in het gelaat gedrukt leken te zijn.

Daar­boven, alsof er bij het boetseren van dit enorme gezicht net niet genoeg klei overgebleven was, zat een soort vreemd ge­vormde puist, die de gaten nauwelijks afscherm­de. Afstotend. Ik keek nog eens goed, maar het beeld veranderde niet.

Onbarmhartig scheen de zon op dat Walrus­sen gezicht en mijn ogen volgden druppels zweet. Zich bundelend tot straaltjes, stroomden ze over het vlees en vet, om in het hemd, ergens aan het begin van de omvangrijke nek, te eindigen. In mijn onderbewustzijn hoorde ik een afschuwe­lijk, misselijk makend gesnuif.

Het totaalbeeld werd teveel en ik sloot een moment mijn ogen, niet meer dan een ogenblik. Gefascineerd ging ik verder op ontdekkingsreis en keek hoger, boven de neus en voorbij aan de gesloten ogen. Het gladde, kegelvormige voor­hoofd ging over in een ronde schedel die, kalend maar bruin, zijn best leek te doen om juist niet op te vallen. De kleine, vreemd gevormde, verfrommelde oren leken aangeplakt en stonden niet op de normale hoogte. Het was alsof zij verdwaald waren op dit grote hoofd en zich er niet thuis voelden. De nek, waar mijn blikken zich nu aan vasthielden, bestond uit een opeenhoping van rollen vet en maakten het beeld van een Walrus  compleet.

Het was op het onbeschofte af, dat staren en ik wilde mij afwenden. Toch waagde ik een laatste blik. Zijn ogen. Zijn gesloten ogen trokken de mijne aan. Onweerstaanbaar schoven ze in beeld en tot mijn beschamende schrik gingen zij langzaam open.

Mijn longen weigerden hun normale beweging te voltooien en ik zat met ingehouden adem, mijn mond half open, doodstil. Ik kon mijn ogen niet wegdraaien en in een magisch magnetisme ontstond een onzichtbare band die sterker werd, intenser. Zijn ogen keken, onder prachtig lange wimpers waarop vrouwen jaloers zouden zijn, recht in de mijne. Hoe vreemd het ook lijkt, zij ontsloten een nieuwe dimensie.

Zelden heb ik zaken gezien en gevoelens gevoeld waarvoor mijn hart zich, zoals nu, direct vol vertrouwen en kwetsbaar openstelde. Overrompeld door een gelukzalig makend gevoel van warmte, dat zich razendsnel door mijn lichaam verspreidde, was het alsof een unieke bloem zich, alleen voor mij, opende. Betoverd door haar volmaakte pracht en schoon­heid, hield ik direct en onvoorwaardelijk van haar. Zo warm en mooi, totaal niet passend bij het reusachtige lijf, noch bij het bijna afstotelijke gezicht.

Zijn ogen, groot, een beetje bol, hadden een diep, donkerbruine kleur waarover een  spectaculaire glans lag; alsof zij schitterden. Het zonlicht reflecteerde in gouden, transparante vlekjes die in het bruin leken te wervelen en constant van vorm veranderden. Een wisselend scala van bruine kleuren en glinsterend goud keek mij aan, van onder de lange wimpers.

Nadat mijn blik gevangen was, kreeg ik het gevoel alsof zijn geest zich via zijn ogen voor mij opende. Een warme – ik hoopte oneindige – stroom aan gelukzalige, plezierige gevoelens werd via het glanzend bruingouden spectrum overgebracht.

Intens was het contact, maar schaamte die, normaal gesproken bij een dergelijke confrontatie bij mij op zou komen, bleef weg. De ogen, zacht en vriendelijk, weer-  spie­gelden zowel zijn als mijn ziel. Hij wist wat hij gaf, wat hij via zijn ogen in anderen kon losmaken. Ze vertelden over zijn leven en een deel van het mijne. Ze toonden innerlijke kracht en mededo­gen, bestreken met een vleug van zacht verdriet, maar warmte en geborgenheid overheersten. Een warmte waar­door ik mij veilig liet omarmen.

Één moment weerspiegelde zijn ogen de rest van het treinstel en daarmee de mensen die hem bedekt en besmuikt bekeken. Ik voelde medelijden. Nee, niet dat gevoel van de andere passagiers voor hem, maar het bijzondere barmhartige gevoel van hem voor hen. Hij was gewend aan zijn li­chaam, zijn uiterlijke vorm. Hij en nu ook ik wisten dat die vorm meer bevatte dan de indruk die het gaf.

Zijn oogleden sloten zich over zijn ogen en mijn nieuwe  dimensie verdween. Ondanks de benauwende hitte, door zon en de vele passagiers, had ik het plotseling koud. Iets groots leek te zijn gestorven om nooit meer terug te keren. Terwijl mijn lichamelijke functies zich weer aanpasten aan de temperatuur in de trein, wilde mijn geest zich warmen aan het onpeilbare, dat ik net had ervaren.

Maar ze bleven gesloten.

Langzaam zwierven mijn ogen naar het raam en verder. Mijn geest, vrij van gedachten, was rijker dan voorheen. Het duurde enige tijd voordat ik mij van deze extreme ervaring had hersteld. Ik keek niet meer en wist gewoon dat één ervaring genoeg was.

Hoe lang ik naar buiten ge­staard had weet ik niet meer, maar plotseling realiseerde ik mij dat het zonlicht niet meer uit het westen kwam. Er was zelfs geen direct zonlicht meer dat door de ramen van de trein naar binnen viel. ­Het middaglicht kwam uit het oosten, vanachter de trein die naar mijn veronderstelling naar het westen reed.

Mijn verstand zei mij dat dát, zo laat, onmogelijk was. Zelfs in het Duitse Wirtschaftswunder kunnen ze de zon niet naar hun hand zetten en dus, dus reden wij naar het oosten en niet meer in de richting van Nederland.

Paniek!

Het zweet brak uit en druppelde, net als bij de ‘Rus’, in mijn nek en bevuilde mijn voordien witte boord. U gelooft het of niet, maar ik wist een moment werkelijk niet wat ik moest doen. Om eer­lijk te zijn, dat moment duurde zeker vijf minuten. Minuten waarin ik langzaam de paniek wist te onder­drukken tot iets lispelends in mijn buik en ik de zweet­productie tot bijna nul kon reduceren.

‘Fout! Foutieve trein, zak’, zeurde het zachtjes in mijn hoofd. Misschien kwam het door de recente ervaring met de ‘Rus’, maar de opkomende relativerende gedachten hadden een weldadige invloed.

Een fout kan hersteld worden, overstappen kan, óók in Duitsland.

Untitled 2