DROOMREIZIGER

Deel  V

 

De neus

 

De trein denderde voort, ritmisch zijn weg volgend over de stalen linten, in de richting van Rotterdam. Ik was gewend aan het achteruit rijden en  kreeg  de gelegenheid om mijn medepassagiers te observeren. De omgevingsfactoren zijn u bekend bekend.

Mijn ogen gleden snel over mijn medereizigers. Ik verzamel eerst  algemene indrukken van mensen, om dan later ieder afzonderlijk op te nemen.

Maar niet vandaag. Halverwege mijn vluchtige rondgang klitten mijn ogen zich vast aan de jonge man die aan het raam zat. Een vooruitrijder.

Om toch iets exacter te zijn en u vooral mee te laten genieten van zowel mijn wel, als in dit geval mijn wee, geef ik de volgende observaties direct weer zoals ik ze ervaren heb.

Mijn ogen begonnen dus met hun algemene rondgang. De reiziger tegen­over mij was een oudere, knoestige baas. Dat kon best eens een boer zijn. De jonge vrouw daarnaast hing in haar zitplaats. Haar hoofd ruste tegen de borst van de jonge man aan het raam.

Daar, zoals eerder aangegeven, weigerde mijn blik hardnekkig om verder te glijden. Waarschijnlijk was de weerstand een gevolg van shock.

Niet eerder registreerde ik het fenomeen waar mijn ogen nu op bleven rusten. Wanhopig probeerde een deel van mijn hersens het bevel ’verder glijden!’ aan mijn ogen door te geven. Zelfs klittenband komt met enige kracht los, maar niet mijn ogen. Het lukte niet. Wat zij zagen was dan ook voor hen uniek te noemen.

De wijsvinger van de jongeman leek in zijn geheel in zijn grote neus te verdwijnen. Vaag registreerde ik het lange, magere en pokdalige gezicht waarop die grote haakneus gemon­teerd was. Het piekerige haar, in drie kleuren geverfd, hing tot op zijn schouders. Zijn ogen waren gesloten en zijn mond, omgeven door dunne lippen, hing een beetje open zodat vaag een slecht gebit zichtbaar was.

Maar mijn ogen werden geobsedeerd door de neusringen combina­tie. Met letterlijk een ruk van mijn hoofd en ijzeren wilskracht, dwong ik mijn blik verder te gaan. Langs de vieze ruit naar de wulpse, schone blondi­ne tegenover ‘de neus’.

Oei, daar verloor ik even de controle en weer zaten mijn ogen aan die neus gekleefd. Die bleek stevig aan het gezicht vast te zitten, ondanks de verwoede pogingen van de vinger om hem tussen de ogen vandaan te sleuren.

Ik kon mijn ogen weer van het walgelijke tafereel los maken en leidde ze nu zijdelings, via de lange in nylons gestoken benen van de blonde, naar mijn buurman. Dat leek een keurige heer in een net pak.

Een hard, uitdrukkingsloos gezicht op een sterke nek, stak boven de smetteloos witte boord uit. Mijn blik vestigde zich op de neus van de man, maar zwierf  teleurgesteld naar de overkant.

Alsof er een elektrische lading door mijn lichaam schoot, zo schokkend bewoog zich mijn hoofd nu in de richting van de jonge man. Nee, niet naar de jonge man, maar naar zijn neus.

Echt waar, hij was groot. Vanuit de hoge brug tussen zijn ogen stak de wortel van de neus gelijk een centi­meter naar voren. Alsof de aantrekkingskracht van de aarde niet bestond, ging het groot gevormde zintuig steeds verder van het gezicht. Uiteindelijk hadden aantrekkingskracht, of mededogen, een eind aan de bijna horizontale groei gemaakt en boog de brug scherp omlaag om, vlak boven de mond met dunne lippen, te eindigen in een punt. Zo’n neus kan alleen maar lange, dunne neusvleugels hebben. De neusgaten waren ovaal gevormd en vooral wijd. Want anders was het niet mogelijk dat zijn rechterwijsvinger zover in zijn rechter neusgat kon doordrin­gen.

Terwijl ik mij afvoeg waar die vinger eigenlijk naar toe wilde, schoten fragmenten van biologielessen door mijn hoofd. Via de voorhoofdsholte van het hoge voorhoofd naar de daar ach­terliggende, ongetwijfeld kleine hersenen?

Ondanks alle tegenzin, zelfs walging, bij het aanschouwen van deze oefening in doorstoten, besloot ik de man als eerste te observeren. Ook al, omdat ik anders constant, met rukkende bewegingen van mijn hoofd, mijn ogen zou moeten afleiden. Hun nieuwsgierigheid en fascinatie zouden eerst bevredigd worden.

De man was niet zo jong als ik in eerste instantie had gedacht. Zijn handen, ik keek nu naar de linkerhand die rustig in zijn schoot lag, waren lang en smal. Zo ook de witte vingers die, zonder haar, langzaam begonnen te bewegen.

De randen rond zijn duimnagel waren rozeachtig, vers vel. Resultaat van zijn onbewuste, maar constante gepulk van de wijs- en middelvingernagel aan zijn duim. Door het pulken ontstonden velletjes, los van de opperhuid, steeds verder, tot bloedens toe. De randen onder de vale nagels van de duim en wijsvinger waren zwart. De bleke huid van de handen vertoonde lichtbruine plekken, alsof de man een slecht verspreid pigment in zijn vel had.

De vaalzwarte, vlekkerige jeans accentueerde zijn lange dunne spillebenen, die eindigden in zwarte halve laars­jes. De punten hadden lange tijd geen schoensmeer gezien en ik zag nog net dat de zool van zijn linkerlaars erg dun geworden was. De broek die door het ontbre­ken van een echte kont opgehouden moest worden, werd dat inderdaad door een zwarte gevlochten ceintuur met een uitzonder­lijk mooi ge­vormde zilveren gesp.

Hij droeg een op het oog vrij nieuwe, korte lederen jekker met een brede rits die open hing,­ daaron­der een vaalzwarte vieze coltrui. Het zwart werd opgesierd door een zilveren ketting waaraan een eveneens zilveren ank hing.

Het hoofd van het vrouwtje naast hem bewoog niet. Ze sliep. En eigenlijk zou ik dat ook moeten doen. Want tijdens mijn observatie, had de vinger niet stil gezeten. Ik had hem twee keer uit de neus zien komen. Nu net waarschijn­lijk met buit. Zijn arm zakte namelijk tot borsthoogte en zijn wijsvinger begon iets op de duim te wrijven. Ook die nagelranden waren zwart en de vingers, die ik nu goed kon zien, waren vlekkerige donkerbruin gekleurd.

Een zware roker, maar vooral ijverige neuspeuteraar. Want hop, daar ging de vinger weer, die mijnschacht in en omhoog, op de tast op weg naar het zwarte goud. Regelmatig draaide de vinger rond in de grote, lange neusvleugel op zoek naar meer. Hoe ver kan je gaan. Hoe elastisch is je vel en hoeveel afval kan je halen zonder je hersens te beschadi­gen. Heel elastisch blijkt onze mooie huid te zijn. Hoewel… hoe zou een minder flexibel, oud vel dat…gadsi…

In zijn gezicht dat vroeger ongetwijfeld, maar zelfs nu nog, leed onder grote hoeveelheden kapot te krabben pukkels, trok een spier en plots bewoog zijn kaak. Het leek alsof zijn tong iets in zijn mond heen en weer duwde. Zijn lippen waren stijf gesloten, maar toch verscheen er aan de mondhoeken een vochtige glinstering.

Mijn grommende maag waarschuwde mijn hersens en die gaven mijn ogen een onverbiddelijk bevel.

‘Kijk ergens anders naar! Het kan me niet schelen naar wat, maar kijk NU ergens anders naar!’

De benen van de vrouw aan het raam schoven langzaam over elkaar. Als de trein niet zoveel lawaai gemaakt had, durf ik te wedden, dat ik het verlokkende, knisperende geluid van zijde over zijde had kunnen horen.

Het waren mooie benen, lang slank en toch stevig. Zelfs de knieën waren welgevormd en pasten precies in de overgang van de dijbenen naar de aanzet van slanke, maar gespierde kuiten. Het waren elegante enkels die in zwarte gesloten pumps verdwenen. Mooie voet, ongeveer maat 39 was mijn schatting.

Ik was verheugd dat mijn maag zich niet meer draaide nu mijn libido wat om handen kreeg. Natuurlijk, de woordkeuze die ik gebruik, is juist, maar past eigenlijk niet in de zin. Mijn libido heeft geen han­den, die van u wel?

Maar opgelet, de benen bewogen. De bewegingen waren elegant. Dat was niet verrassend, kon eigenlijk niet anders. De schone ging verzitten en sloeg haar benen weer over elkaar, in een houding waar de meeste mannen veel moeite mee hebben. Het schijnt dat het slecht is voor je rug en misschien nog wel voor veel meer spieren, maar mijn libido, werd door deze elegante houding definitief gewekt. Het werd tijd om dit eens nader te onderzoeken.

Mijn ogen gleden omhoog, maar werden afgeleid door een flits die zich met een langgerekte schreeuw langs onze trein bewoog. Een tegen­ligger die groette. Niets aan de hand. Maar wel voor mij. Afgeleid, controle kwijt!

Mijn ogen zaten, ondanks uitdrukkelijk bevel, vast aan de neus. Toch was dit geenszins een aantrekkelijk zintuig. Zelfs niet grappig zoals die extreme uiterlijkheid van bijvoorbeeld Cyrano de Bergerac, of de leugende­tector van Pinokkio. Ik weet zeker dat mijn ogen aangetrokken werden door de onwaarschijnlijke combinatie van de neus en de vinger. Nog steeds was die aan het werk en terwijl ik keek, gleed de vinger weer langzaam omlaag, voorzichtig draaiend om niets van zijn vangst achter de zwart gerande nagel te verliezen.

Nu peutert of heeft iedereen wel eens in zijn neus gepeuterd. Je ziet het vaak in files waar woeste weggebruikers hun tijd af en toe moeten doden en dan, hoe onbegrijpelijk ook, naar hun reukorgaan tasten. Maar hier werd echt toegetast.

Mag ik zo vrij zijn om de vergelijking, die mij te binnen schoot, even aan u voor te leggen. Als ik het gedrag van een norma­le, schuchtere neuspeu­teraar vergelijk met het nuttigen van een eenvoudige maaltijd, die van een filerijder met een take-away hap, dan was er hier een overdadig banket, met voor-, hoofd-, na- en tussengerech­ten aan de gang.

Mijn maag kon deze vergelijking niet appreciëren en begon werkelijk heftige signalen uit te zenden. Mijn ogen zakten automatisch van de neus naar het hoofd van de slapende vrouw.

Ook dat was bleek. Waar dat stel vandaan kwam was geen zon. Misschien waren het wel nachtmensen. Zij was, net als haar partner, in het zwart gekleed en kon een kopie van hem zijn. Gelukkig had zij niet zo’n neus en in haar ontspannen slaap had zij een opvallend zacht ge­zicht. Zij was lang en mager. In flagrante tegenstelling hiermee waren  haar borsten groot. Bij iedere ademhaling bolden zij onder dat zwarte shirt.. Een fotomodel had ze zich niet beter kunnen wensen.

Mijn libido bewoog zich niet. Alleen grote borsten zeiden hem niets. Wel de mooie benen van de vrouw bij het raam.

De trein schudde in zijn voegen, zich voortstuwend over enkele wissels en even had ik het gevoel dat ik alleen was.

 

Untitled 1