Deel VI

De moordenaar

Het is de cadans waardoor je in de trein makkelijk in slaap kunt vallen. Helaas, mijn lichaam en geest verzetten zich in ernstige mate daartegen. Ten eerste was er de belasting van mijn maag en ten tweede natuurlijk mijn nieuwsgierigheid. Er waren namelijk nog meer en mogelijk aansprekende medereizigers behalve de ‘neus’.

Het is een kunst om onopvallend te zijn. Zeker als je er niet echt slecht uit ziet, groter bent dan de middelmaat en chique gekleed gaat. Vooral in een kleine ruimte wordt dat moeilijk, een kleine ruimte zoals de coupé waarin ik mij bevond.
Toch bezat de man die naast mij zat deze gave. Omdat mijn maag zich dreigde om te draaien als mijn ogen de ‘neus’ op de korrel namen en mijn libido niet echt wakker was geworden door de mooie benen van de vrouw aan het raam, bleef er voor mijn aandacht niets anders over dan zich op de onopvallende man te richten.
Het was eenvoudiger geweest om naar de knoestige, boerse man tegenover mij te kijken, maar die had zijn ogen open en observeerde mij. In zo’n geval kijk ik niet terug. Ik weet hoeveel genot een goede observatie mij kan schenken, dus gunde ik hem zijn plezier.

Nu deed ik mijn best om, zonder raar te draaien, de man direct rechts van mij te observeren. Ik drukte me verder in mijn hoek van de coupé en ging iets schuiner zitten. Zo kon ik zonder te veel ongemak de man observeren.
Gelukkig was zijn blik gericht op het vage voorbij schietende buiten, zodat ik zijn profiel kon bewonderen.
Krachtig en absoluut Zuid-Europees was mijn eerste indruk. De van nature licht gebruinde huid vertoonde bij de ogen en de mondhoeken veel kleine rimpeltjes. De energieke kin stak een beetje hoekig en uitdagend vooruit en paste niet helemaal bij zijn onopvallende uiterlijk. De brede mond werd gevormd door bijna elegant te noemen lippen. Het was vast een mond die veel lachte. De neus had een Grieks model. Toch was de man geen Griek. Zijn wenkbrauwen, een beetje te recht, waren donker evenals zijn haar dat, glad achterover gekamd, op de kruin iets kalend werd. Aan de slapen was het grijs dooraderd, dat hem waarschijnlijk een aparte charme gaf. Ik kon zijn ogen niet zien, maar de kleur ervan leek donker. De ietwat vlezige wangen hadden, hoewel hij zich vast en zeker die ochtend geschoren had, een donkere vleug van een zware, nu opkomende baard.
Zoals gezegd was de man gekleed in een chique, grijs pak¬. In zijn borstzak zat, achter een eenvoudige maar bij¬passende pochet, een donkere zonnebril. Zwarte schoenen, glimmend alsof ze pas ge¬poetst waren, completeerden het eerste beeld.

Zijn handen lagen losjes op zijn bovenbenen en waren, als je al zover ging met je observatie, zeker niet onopvallend. Breed, gespierd met dikke aders, uitlopend in lange, krachtige vingers met iets geronde, keurig verzorgde kort geknipte, glimmen-de nagels. Geen ringen, zelfs geen trouwring, om de licht bruin gekleurde vingers. Ook hier zag ik dat hij uit een van de zuidelijke landen kwam.
Veel zwart, stug haar krulde op zijn onderste vingerkootjes en aan de zijkanten van zijn handen, doorlopend naar zijn brede behaarde polsen. Pols en hand waren een solide eenheid. Kracht, snelheid en volledige gehoorzaamheid aan de geest. Het leken twee wachtende Jaguars alert, snel, accuraat en dode¬lijk.
Manicuren! dát liet hij doen. Ik wist nu dat de man zichzelf uitstekend verzorgde. Zijn conditie zou waarschijnlijk ook tip top in orde zijn. Hij snoof of ademde niet luidruchtig, maar zeer beheerst. En toch was het geen jonge kerel meer. Eerder tegen de vijftig dan daar onder.
Het werd tijd voor giswerk.
Italiaan, nee Spanjaard? Een Griek was het echt niet. Portugees? Fransman werd direct verworpen. Nee, een Italiaan was het meest waarschijnlijke.
Nu zijn beroep.

Dat was een dead-end zoals de Engelsen zeggen. Voorlopig was deze opgave te zwaar om zomaar even op te lossen.
Terwijl ik bezig was met het napluizen van de man naast mij, zochten mijn ogen automatisch weer naar de neus. Die zat er nog steeds, schuin tegenover mij aan het raam, maar de vinger was weg. De ogen van de neus waren nu voor het eerst open en staarden glazig naar buiten. Achteloos streelde zijn hand die van de, nog steeds tegen hem aan leunende, jonge vrouw. De ogen van deze jonge, oude man hadden een vreemde kleur. Ze pasten niet bij het bleke gezicht. De kleur was levendig, te fit voor dit, zich zonder twijfel voortslepende, lichaam. De glazige blik dwaalde door de coupé en een moment raakte zijn blik de mijne.
Ik huiverde.
Het leek alsof ik in twee stukken glanzend felgekleurd glas keek. Niets lag er achter, erin of kwam er uit. Levenloze prach¬tige ge¬kleurde stukken glas. Zijn blik was allang weer verder en terug naar het raam. Hij bleef met die…ver¬d…
.., nu wist ik het! Zijn Poppenogen staarden naar buiten.

Een beweging van mijn buurman leidde mij naar hem terug. Hij had zich van zijn rechterbil op zijn linkerbil gezet en keek nu zelf door de coupé. Ik voelde, meer dan ik hem zag, zijn stekende onderzoekende blik.
Nieuwsgierig draaide ik nog een beetje met mijn hoofd en ving een moment, zijn ogen.
Waar ik het net koud had gekregen door het aanschouwen van de eindeloze leegheid in de poppenogen, brak mij nu spontaan het zweet uit.
De zwarte ogen, priemden in mijn brein, waren bezig mij te ontleden. Over het diep, donkere zwart hing een rode gloed. De ogen leken zacht te gloeien door een uiterst beheerst, maar altijd aanwezig vuur dat daar, diep achter die ogen, brandde. Ik zag de weerschijn ervan en de waarschuwing die er in lag. Een alarm dat de weg vond door mijn ogen naar mijn hersens.
Hoe had ik, naïeveling, nog geen paar minuten geleden, kunnen denken dat deze man gewoon was, onopvallend? Ook al hadden zijn han¬den al een aanwijzing gegeven.
Nu zijn ogen zich in die van mij boorden realiseerde ik mij pas hoe gevaarlijk deze man kon zijn. Een onberedeneerbare angst greep mij bij mijn strot en drukte die zachtjes dicht. Zweetdruppeltjes voelde ik op mijn voorhoofd door de huid komen en in mijn nek druppelde zweet al omlaag. Ademhalen leek lastig, maar even plotseling als de blik er was, waren de gloeiende kolen afgedraaid en kon ik weer vrij ademhalen.
Een aantal keren haalde ik de muffe coupélucht stil, met lange teugen, naar binnen. Door de toevoer van zuurstof werd ik iets rustiger en de angst verdween naar de achter¬grond. Wonderlijk genoeg bleef hij daar wél hangen.
Nu ik zijn ogen gezien had, wist ik wat zijn professie was. Dat kon niet missen.
Het gevaar dat deze man plotseling kon doen ontstaan, nam hij altijd met zich mee. Angst was zijn handels¬merk. Als je in zijn ogen keek kon je de angst, je eigen angst, bijna ruiken.
Hij was de verpersoonlijking van de wraak en bediende zich van de angst die hij, door zijn intimiderende blik, bij andere mensen op¬riep. Een gebiologeerd konijn had niet stiller kunnen zitten dan ik daarnet.
Hij hoefde er niet veel voor te doen. Kil, bijna klinisch en toch met een altijd brandend en vernietiging brengend vuur in die ogen, was het voor een logische aanname dat zijn handen zo sterk waren. Zij waren letterlijk zijn werktuigen. Na zijn ogen deden zij de rest en ze braken het verlamde konijn eenvoudig de nek.

Mijn vingers prutsten ongecontroleerd aan mijn boordenknoopje. De boord van mijn overhemd en mijn keurige stropdas zaten plotseling te strak.
Zijn verschroeiende blik had zich weer op mij gericht. Met getimede, langzame bewegingen trok ik mijn stropdas door de boord uit en nu kon ik, zij het langzaam en beheerst, eindelijk het bovenste knoopje van mijn overhemd openen.
Hij had mij niet direct aangekeken, maar volgde mijn bewegingen als een geïnteresseerd roofdier, onderzoekend of dat bewegende ding moge¬lijk een prooi is. Voorzichtig, zonder plotselinge bewegingen, gleed mijn hand naar mijn broekzak. Daar bleef hij even rusten.
Ik wist dat hij keek. Ik voelde dat hij keek!

Mijn hand schoof mijn broekzak in en vond mijn zakdoek. Heel rustig, de snuitlap zorgvuldig bij een punt vasthoudend, trok ik hem eruit en bracht hem naar mijn gezicht. Ik ont¬vouwde hem en het leek wel alsof ik met een witte vlag aan het zwaai¬en was.
Mijn aandacht verplaatste zich naar zijn werktuigen, zijn handen. Ze lagen ontspannen in zijn schoot en waren nu een verlengstuk van de kracht die de man uitstraalde. Aan die handen zag ik, dat zijn interesse in mij verdwenen was. Ze vouwden zich rustig over elkaar en leken een plek te zoeken om te gaan slapen.
Apathisch en een beetje beverig liet ik mij meedrijven met het ritme van de trein en droomde in bijna weg.

natuurd3