DEEL VIII

 

Veranderingen

 

Ik voelde mij niet op mijn gemak in mijn hoekje in de coupé. Het versleten, rode pluche dat niet onder billen, achter ruggen of schouders verscholen zat, stootte mij af. De vieze coupé, waar de lucht niet meer te definiëren was, werkte op mijn zenuwen. Ik keek om mij heen.

Welke veranderingen hadden zich in mijn korte afwezigheid voltrokken? De knakker met de poppenogen had zich wat beter in zijn hoek genesteld. Zijn vriendin, wakker nu, zat dicht tegen hem aan met haar benen onder zich ge­kruld. Haar hand streek in een regelmatige beweging over zijn kruis en scheen

niets beters te doen te hebben. De ‘neus’, zoals ik hem maar zal blijven noemen, was kennelijk zo onder de indruk dat hij vergat te peuteren. Dat op zich was een plezierige vooruitgang en ik keek naar de strijkende vrouw. Rode koontjes gaven kleur aan haar bleke gezicht. Ik kon niet zeggen of dat door de slaap

kwam, of door de bij haar aanwezige seksuele energie die, mogelijk door het strelen, werd opgewekt. Ze frunnikte wat aan zijn gulp en mijn hart sloeg een tel over.

Toch niet he, niet hier?! Zeker niet na de vruchteloze ontmoeting die ik net met de ‘Vrouw’ in het gangpad had gehad. Dit werd een afgang, een ramp!

Maar, nog voordat mijn voorstellingsvermogen de reacties van de andere coupébewoners in beeld had gebracht, hield ze, midden in de beweging, op en leek tevreden gesteld weer in slaap te sukke­len.

Dan zou de neus wel weer aan zijn graafwerk beginnen. Maar nee, hij keek naar de blonde, de ‘Vrouw’ tegenover hem. Zijn kleurrijke, glazen knikkers namen haar intensief op en een moment benijdde ik hem.
Begrijp me goed, niet hem, maar de positie waarin hij verkeer­de. Hij, de geilaard, kon zonder een stijve nek te krijgen, naar haar kijken en van haar genie­ten. Dat laatste deed hij op een heel eigen manier en de zichtbare gevolgen van zijn genieten waren niet prettig om te zien.

In zijn mondhoek vormde zich, heel langzaam, een druppel speeksel. Eerst nauwelijks zichtbaar als kleine vochtigheid, maar alengs groter en dus zichtbaar wordend. De ‘groei’ duurde zolang totdat de cohesie van het slijm het opgaf en de druppel, via zijn kin, op zijn broek viel. Ik weet zeker dat er afschuw op mijn gezicht te lezen was, voordat ik mij van hem afdraaide.

Ik besloot niet meer te kijken, althans niet naar hem. Eindelijk richtte mijn aandacht zich op mijn eigen overbuur­man. Die oude bok keek ook naar de ‘Vrouw’. Blijkbaar had hij er genoeg van om mij te observeren.

Maar voordat ik mijn aandacht volledig op hem kon richten, schoof de coupédeur open en mompelde een bijna onverstaanbare stem: “Caffee und bröttchen?”

Geschrokken keek ik naar de voortbrenger van dit smekend, vragende stemgeluid. Het was een “Bahn-ober” die zijn waar aan de treinreizigers probeerde te brengen. Mijn eerste indruk was die van een vermoeid mens. Zijn dikke oogleden stonden half open. Zijn ogen hadden blijkbaar moeite om daar onder vandaan hun blik, die moe en triest was, de coupé in te sturen. Zij spiegelden, aan het einde van alweer een dag, zijn ervaring: ‘Hier was weinig te verkopen.’

Gespitst op alles dat mij van de ‘neus’ of de ‘moordenaar’ kon afleiden, nam ik de man en zijn handelingen in mij op. Hij vormde een nieuwe uitdaging om te observeren.

Het meest opvallende aan hem waren zijn gezicht en zijn handen. Weliswaar zag ik vaag dat het gezicht op en de handen aan een lichaam zaten, maar dat was buiten een paar afhangende schouders, te onopvallend om mijn aandacht vast te houden.

Nee, dan zijn ogen. Zijn ogen hadden alles wat er op deze wereld te koop was gezien. Natuurlijk vanuit het perspectief van een “Bahn-ober”, maar dan toch hé.

Waar ik een boel tijd nodig had om mijn medepassagiers, na grondige observatie, te doorgronden; nam hij hen waarschijnlijk in een oogopslag de maat. Hij was geen vrolijkerd geworden door hetgeen hij, in de loop van vermoeiende jaren, tegengekomen was. Zijn ervaringen hadden diepe voren in zijn ronde gezicht geschuurd. Deze erosie was waarschijnlijk langzaam gegaan en voltrok zich nog steeds.

De diepe rimpels in zijn voorhoofd, net boven zijn wenkbrauwen, wekten bij mij het vermoeden dat hij zich altijd vragend, in een soort van afwachtende nieuwsgierigheid, had opgesteld. Natuurlijk had hij gelijk. Een “Bahn-ober” moest, onder alle omstandigheden, rustig en gelaten blijven bij het aanschouwen van al die mogelijke en onmogelijke situaties die hij tegen kwam. Hij was afstandelijk en professioneel, als je tenminste zijn triestheid over het hoofd kon zien.

De doffe ogen rustten op niemand in het bijzonder en toch op ieder die contact zou willen maken. Ik keek nog eens goed en zag achter deze wonderlijke blik een sprankel van begrip. Dat was de eigenschap die zijn hele leven beïnvloed kon hebben. Hij begreep die schreeuwende, gillende kinderen waarvan de ouders deden alsof ze doof waren. Hij wist dat mensen vies waren en van zijn trein een vuilnisvat maakten. Hij had ze leren kennen, die boeren, neuspeuteraars, zwartrijders, moordenaars, vrouwen in alle soorten en maten, de viezerikken en de schonen.

Door zijn ervaringen en zijn levensinstelling wist hij, hoe en voor hoelang hij zijn ogen op een treingast kon laten rusten. Die gaven hem ook de vaardigheid om, in één blik per coupé, in te schatten of er vraag naar zijn waar zou zijn of niet. Hij wist en via zijn ogen voelde ik dat ook, dat er in deze coupé iets te slijten was. Hij bleef, na zijn trieste introductie, doodstil in de deuropening staan. Zijn ogen, gevuld met die afstandelijke blik, gleden over mijn medepassagiers en bleven, met een onwrikbare zelfgenoegzaamheid, als laatste op mij rusten.

 ”Ein caffee gerne,” was mijn directe reactie. “Ohne milch,” was zijn vaststelling en ik knikte. Hij wist het gewoon, ik ben een zwartdrinker. In het gangpad waren zijn handen snel en handig in de weer om een plastic bekertje met het zwarte vocht te vullen. Ze waren zo heel anders dan de rest van zijn voorkomen. Als twee, onafhankelijk van hem opererende, eenheden dartelden zij over het zware karretje dat volgestouwd zat met etenswaren en drank. Wat een significant verschil met zijn inerte uitdrukking. Het was alsof hij al de energie die in zijn lichaam huisde, opspaarde en naar zijn handen dirigeerde.

De vingers die het bekertje in een houdertje zetten, waren lang, slank en schoon. De keurig geknipte nagels waren, ondanks het feit dat hij al de halve trein was doorgesjouwd, zonder zwarte randjes of andere viezigheid. Als ik naar zijn bezige handen keek, werd ik bijna vrolijk.

“Das ist drei foeftzig, bitte.” Hoewel bijna vier gulden wat duur is voor een plastic bekertje met zwart vocht, betaalde ik het graag en overhandigde hem de gevraagde marken. Zijn hand gaf mij het bekertje. Mijn hand pakte het onbevangen aan en verbrande zich direct.

De reflex om het hete ding te laten vallen, kon ik nog net beheersen en nijdig keek ik naar de handen. Die waren weg en ook zijn ogen hadden mij allang verlaten en rustten nu een moment op mijn overbuurman. “Bröttchen Käse und a Kaffe.” zei een stem, die normaal gesproken botten zou kunnen breken. De diepliggende ogen van mijn overbuurman glansden. De ronde pupillen leken zich te vernauwen, maar hij keek niet omhoog.

“Bahn-ober” knikte terwijl zijn handen alweer dartel de bestelling van de kar plukten.

          “Zehn halb, bitte” en de handen wachten nederig en geduldig met de koffie en het broodje, totdat het bedrag uit de oude portemonnee van mijn overbuurman te voorschijn was gehaald. Even werd het spannend, toen het bedrag van hand moest wisselen. Maar geen nood, de handen losten dit probleem op. De koffie en het, in plastic verpakte, broodje werden door één hand vastgehouden en de ander nam vrolijk het geld aan.

De knoest pakte zijn gekochte waar met twee handen en nam een slok.

Het was stil in de coupé en de “Bahn-ober” begon zich terug te trekken. Zijn handen hadden nog wel verschillende opdrachten willen uitvoeren, maar hij wist dat hier niets meer voor hen te doen was. Met nog steeds die trieste blik in zijn ogen verdween hij naar de gang. Het laatste wat ik van hem zag was een schone hand, die met een ferme maar elegante beweging de coupédeur sloot.

Ik proefde van de hete koffie. De smaak was bitter en ik voelde mij direct bekocht. Hadden zijn handen een fout gemaakt bij de bereiding, of was het zijn manier om wraak nemen op het leven? Ik zat met een probleem. De koffie was niet te zuipen, maar ik kon hem ook niet in de coupé dumpen. Zoveel opvoeding heb ik toch wel gehad. Dan maar naar het toilet. Achteraf gezien had ik de koffie beter over de vloer van de coupé kunnen laten lopen, maar dat is achteraf geneuzel.

Ik stond op en rukte, wat te wild, aan de kruk van de coupédeur. De slechte koffie in mijn linkerhand schoot door deze beweging over de rand van het bekertje en de hitte van het vocht brandde direct op mijn huid. Ik vloekte ik stilte. Waarom was slechte koffie altijd heet?

In mijzelf mopperend liep ik door het gangpad, ging een hoek om en stond voor een deur met het opschrift “Toilette”. De ‘Vrouw’ was daar geweest en dus kon ik het er ook op wagen. Dat was een misrekening.

Nadat ik de deur achter mij gesloten had en in het vale licht in de minieme ruimte om mij heen keek, constateerde ik dat je er kan poepen en tegelijkertijd je handen kan wassen. Mijn maag begon lichte alarmsignalen aan mijn hersenen door te geven, van streek als hij werd door de signalen die mijn reukorgaan opvingen. De deur van deze nood-cabine sloot goed, want pas nadat ik binnen gestapt was, rook ik de ranzige pieslucht aangedikt en ondersteund door een ondefinieerbare geur die van oorsprong van gezonde drollen moest stammen. Ik wilde mijn koffie snel kwijt en mijn blik viel op de pot. Dat had ik beter niet kunnen doen.

Vies is niet het juiste woord, groezelig komt meer in de richting maar is te zwak. Smerig is beter, maar nog steeds te zwak. De smurrie, die de eens witte pot bedekte, had een vaal bruin-groene kleur. Met een ruk draaide ik mij naar de kleine wasbak, waarin een mens met grote handen zijn vingers stuk voor stuk moet wassen. Water en zeep hadden, indien zij opgepompt werden, hun best gedaan om het zwart van handen weg te spoelen, maar blijkbaar had zich dat hardnekkig op het glazuur vastgezet.

Mijn ademhaling ging snel en ik probeerde, zonder mijn vingers, mijn neus af te sluiten. Dat is een trucje dat zowel mijn vrouw als mijn zoon kennen, maar ik helaas niet machtig ben. De geur leek zich aan mij te hechten, in mijn poriën te dringen. Ik moest hier weg. De beker viel in het wasbakje. Het zwarte vocht spetterde alle kanten uit en mengde zich met de vaalzwarte streperigheid van uren.

Niets als weg. Buiten ademde ik de ‘frisse’ treinlucht in als was het pure zuurstof. Ik leunde, voor de zekerheid, enkele passen verder tegen een raam en stak een sigaret op. Ook dit had ik dan maar weer gehad. Ik begon te beseffen dat zo’n treinreis je met beide benen in het dagelijkse bestaan van deze wereld zet. Toch leek het er op, dat deze laatste belevenis mijn hersens had aangetast, want die verzochten mij vriendelijk, doch dringend, om een ‘slaapje’ te gaan doen.

Vijf minuten later was ik terug in mijn hoekje in mijn coupé (merkt u hoe eigen ik al wordt) en probeerde te slapen op het ritme van de nog steeds voortrazende trein.

 

Nr 42 P1370165