Deel IX

Droom of merrie

Eindelijk kreeg het ritme van de trein mij in zijn greep. De warme lucht in de coupe droeg zijn steentje bij en ik viel, zacht heen en weer gewiegd, in slaap. Kedeng…kedeng…..kedeng werd zwakker en een beetje misselijk (zie je wel), daalde ik af in de duistere krochten van mijn onderbewustzijn.

Hoelang ik, vrij van iedere gedachte, in het donker verbleef, kan ik niet zeggen. Tijd is een betrekkelijk begrip, als de geest in een slapend lichaam bezig is. Het kwam mij voor dat ik uren in rust verkeerd had voordat ik ontwaakte. Nog vóór het moment dat ik mijn ogen opende, voelde ik dat er iets veranderd was in mijn omgeving.
Er bewoog zich namelijk iets tussen mijn dijen en onder mijn billen. Mijn lichaam deinde zachtjes op en neer. Een frisse luchtstroom bezorgde mij een rilling en mijn huid reageerde met kippenvel. De lucht die ik inademde was zuiver, maar licht bezwangerd met een geur die ik kende, maar niet direct kon thuisbrengen. Ze drong in mijn verwijde neusgaten en nieuwsgierig opende
ik mijn ogen.

Het was niet het prachtige golvende landschap dat mij een kreet ontlokte. Maar wel hetgeen waarop ik mij, door de fel groen gekleurde weiden, voortbewoog. Een groot paardenhoofd, direct voor mijn neus, was de oorzaak van mijn uitroep. Ik zat op een werkelijk groot paard en voelde de krachtige spieren van het beest tussen mijn benen bewegen.
Het daalde in pas een heuvel af. De geur die ik geroken had, was door mijn neus goed geïnterpreteerd. Het waren mijn hersens die de link niet direct hadden kunnen leggen.
Ondanks de onverwachte, vreemde situatie waarin ik mij bevond, had zich slechts een lichte opwinding van mij meester gemaakt en liet mijn lichaam zich wiegen op het natuurlijke ritme van de stap.
De zon stond hoog aan een strakke, lichtblauwe hemel en het was warm. Om mij heen kijkend zag ik in de verte, achter andere heuvels, een bos. Onbewust wist ik, dat daar mijn bestemming lag. Ik spoorde het paard lichtjes aan door het, met mijn – blote? – voeten die in een soort sandalen staken en met banden aan mijn kuiten bevestigd waren, zachtjes te porren. Voordat ik van mijn verbazing kon bekomen, zette het potige dier zich in draf en de frisse wind speelde over mijn – blote? – lichaam.
Tot dit moment waren de beelden om mij heen het belangrijkste geweest, maar nu keek ik snel omlaag. Gelukkig, mijn schaamdelen waren bedekt met een soort lap. Daaronder voelde ik dat mijn edele delen in een stof opgeborgen waren die, in een stringvorm, door mijn bilspleet aan mijn gordel vastzat. Nu begon ik mij toch lichtelijk ongerust te maken. Hoe kwam ik, bijna naakt, op een paard terecht dat zonder zadel en bit door onbekende, groene velden draafde? Waar was ik eigenlijk?

Mijn handen hadden automatisch de lange manen vastgegrepen, toen ik het edele dier tot draf aanzette. Over mijn schouder hing aan een lederen riem iets op mij rug, dat ik direct als mijn zwaard herkende. Trouwens, het viel mij op dat mijn huid een aardige bruine kleur had. Waarschijnlijk door het naakte buitenleven dat ik scheen te leiden.
Mijn aandacht werd afgeleid door het lieflijke landschap waar wij doorheen draafden. Het gras was lang en groen, iets feller, levendiger dan de kleur die ik kende. Het werd doorregen met gele snoeren, gevormd door bloemen met een vreemde groeiwijze. Ik had nog geen boom gezien, behalve dan dat verre bos dat, als een streep aan de horizon dat maar niet dichterbij leek te komen. Boven op de volgende heuvel aangekomen, probeerde ik mijn rijdier te laten stoppen. Ik heb wel eens eerder op een paarden rug gezeten, maar veel affiniteit heb ik met deze dieren nooit gehad. De machtsverhoudingen tussen berijder en paard waren meestal in het voordeel van het paard geweest. Maar tot mijn stomme verbazing gehoorzaamde het beest onmiddellijk en stond abrupt stil. Mijn lichaam schoof een beetje naar voren, dicht naar het grote hoofd dat onrustig omhoog en omlaag ging.

Plotsklaps realiseerde ik mij dat mijn oren geen direct geluid waarnamen. Alle geluiden die door mijn hersenen geregistreerd werden, bestonden alleen maar in diezelfde hersens. Het gedreun van de hoeven, het gesnuif, de tjirpende krekels en het zoemen van de bijen die ik rond de grote gele bloemen zag zweven; al deze geluiden werden door mijn geest weergegeven en verbonden met de bewegingen van deze stille wereld. Ik hoorde alles, maar niet werkelijk. Het was verontrustend en mijn onzekerheid werd sterker. Wat stond mij te wachten? Wat verborg dit onwerkelijke landschap voor mij? Waren er geen andere mensen? Was dit een droom?

Ik kneep hard in mijn arm. Dat deed zeer, dus bevond ik mij in een soort realiteit, al wist ik nog niet welke. De zon brandde op mijn schouders en rug en een dun zweetfilmpje, maar ook niet meer dan dat, bedekte mijn lichaam.
Het paard deed zich tegoed aan het gras en ik voelde een licht verlangen in mijn maag opkomen. Trek, je moet wat eten zien te bemachtigen. Hoezo eten? Ik was geen paard en zou ergens in dit groen-geel iets beters dan gras moeten vinden. Ik bevochtigde mijn lippen. Ja, dorst had ik ook, maar wijdt en breed geen meer, beek of poel te zien. Misschien kon mijn partner daarin het voortouw nemen. Ook paarden moeten drinken en dus spoorde ik het beest aan om verder te gaan.

De draf maakte gevoelens in mij los die ik herkende, maar die jarenlang verborgen waren geweest. Vrijheid was de sterkste emotie en ik spoorde mijn rijdier aan. Het ging direct van draf over in een wilde galop. Het landschap schoot voorbij. Fantastisch, het dreunen van de zware hoeven over de grasvlakte, de wind die mijn haren achter mijn hoofd liet wapperen. De reuk van zweet, het snuiven, vlokken schuim die om mij heen vlogen en de beweging van de spieren tussen mijn benen brachten mij in verrukking. Mijn hart juichte en onbelemmerd genoot ik van deze ongebreidelde vrijheid. Wij raasden door dalen, over heuvels en leken niet te stuiten.
Af en toe zag ik de bosrand, dichterbij nu. Wij stormden naar de top van een hoge heuvel. Op de top steigerde mijn rijdier onverwachts en ik verloor mijn zorgvuldig bewaarde balans. Met een smak viel ik in het gras, rolde over de rand en viel omlaag.

Een rauwe kreet van afschuw wrong zich uit mijn keel omhoog, maar mijn wijd opengesperde mond bracht dat geluid niet voort. Weg was het lieflijke groene landschap. Langs een grauwe, steile rotswand viel ik, steeds sneller met gespreide armen en benen, omlaag. Daar, ver beneden mij, zag ik een onafzienbare, grijze vlakte die gebroken werd door ontelbare puntige rotsen.
Shit, ik viel te pletter. Ik zou gespietst worden als een insect op zo’n punt. Een de witte zon, nu aan een trillende, witte hemel, zou mijn lichaam laten verschrompelen.

‘Dit is een droom.’ Ik volgde de reddende gedachte die dit ellendige einde kon voorkomen. Het was sterk genoeg om althans deze gruwelijke dood te vermijden.
Stof kriebelde tussen mijn tenen en ik liep – godzijdank – tussen de puntige rotsformaties die hoog boven mij uitrezen. Hoewel het landschap zich radicaal gewijzigd had, was mijn lichaam nog steeds hetzelfde. In tegenstelling tot mijn eerdere ervaring, hoorde ik echter werkelijk geluiden.
Weliswaar werden de klanken geabsorbeerd door een laag grijs stof die het hele landschap bedekte en rond mijn voeten dwarrelde, maar ik hoorde mijzelf lopen.
Niets bewoog zich in dit helse landschap. Doelloos liep ik tussen de rotsen. Boven, op de weiden, had ik mijn bestemming geweten, maar hier beneden kon ik mij niets voorstellen dat ik wilde bereiken. Dorst begon mij te kwellen en desperaat zocht ik water. Uren later, de zon nog steeds hoog aan de hemel en zijn hitte weerkaatst door de rotsen, bewoog ik mij automatisch voort. Wankelend op mijn trillende benen, met afgezakte schouders en onder het grijze stof, werden mijn stappen stuk voor stuk een kwelling. Mijn rauwe tong kon geen speeksel op mijn gebarsten lippen brengen en mijn adem kwam met horten en stoten uit mijn longen.

‘Het is een droom jongen, een droom,’ waren vonkjes die mijn brein nog maar net voortbracht. Ik kon niet meer en moeizaam mijn evenwicht bewarend bleef ik staan.
‘Niet opgeven, nú niet opgeven,’ en met grote inspanning zette mijn lichaam zich weer gehoorzaam in beweging.
Aan de grond genageld stond ik stil en keek apathisch naar de breuk in het landschap voor mij. Ik vond mij terug aan de rand van een kleine vlakte, omgeven door de hoge puntige rotsen waar ik mij uren tussendoor had gesleept. Ik schudde mijn hoofd en wilde wakker worden, weg uit deze droom. Maar ik had nog maar net genoeg kracht om mijn hoofd op te heffen. Mijn ogen keken wezenloos naar een steile rotswand waarop een enorme, ongewoon gevormde steenmassa gemonteerd leek.

Opeens was mijn geest helder en keek ik geboeid naar de ‘neus’, maar dan een miljoen keer vergroot. Ik kon mij niet vergissen. Daar, uit de vlakke wand prominent naar voren stekend, was de hoge brug met de spitse bijna tot de grond doorlopende punt en de dunne vleugels die, aan de overkant van de vlakte, overgingen in enorme gaten. De donkere schaduwpartijen van deze neusgaten leken mij te lokken. Daar kon ik schuilen tegen de verzengende hitte.
Gedreven door hoop, sleepte ik over de vlakte naar de enorme gaten en gleed uit. Liggend op mijn rug, mijn zwaard pijnlijk drukkend tegen mijn rugwervels, probeerde ik te ontdekken waarover ik gevallen was. Mijn handen streken over het gladde vochtige gesteente.
‘Water!?’
Ergens moest hier water zijn. Mijn loodzware benen droegen mij zo snel zij konden naar het, voor mij, rechterneusgat.
Eindelijk was ik in de koele schaduw, knielde en mijn handen gleden over de grond. De bodem was inderdaad vochtig, een beetje plakkerig. Het water, want iets anders kon ik mij niet indenken, kwam dus boven uit de holte van de neus. Na een aantal stappen, verder de grote holte in, zag ik vaag de treden van een reusachtige trap? Ik liep verder de grot in en zag, dat dit inderdaad het begin was van een trap was die steil en kronkelig in het duister, ver boven mij, verdween. De treden waren bedekt met de vochtige substantie. De wanden waren onregelmatig van structuur en hadden een vaal-bruine kleur. Overal zag ik groen-zwarte woekeringen, een soort mos, dat zich op de wanden had vastgezet.

Licht. Ik had licht nodig als ik bij de beklimming mijn nek niet wilde breken. Een onverwachte luchtwerveling, waarschijnlijk veroorzaakt door tocht, deed iets in een duistere hoek opwaaien. Tastend in het donker, voelde ik een aantal pakken die veel op papier leken.
Prachtig, nu nog vuur. Met een grote hoeveelheid van het gevonden materiaal onder mijn arm liep ik terug naar de ingang en begon fakkels van het papier te rollen. Met stukjes leer, die ik van mijn schouderriem los peuterde, bond ik ze bijeen. Hoe weet ik niet, maar toen ik naar de trap liep ontbrande mijn eerste fakkel spontaan en voorzichtig begon ik aan de lange klim.

Aan de voet van de tunnel was de trap ontzaglijk breed, maar voorzichtigheidshalve bleef ik in het midden. De klim was zwaar omdat de treden – waren het eigenlijk wel treden – gemaakt leken voor mensen van zeker tweemaal mijn lengte. Met de fakkel hoog boven mij geheven, pauzeerde ik regelmatig en keek rond. De wanden werden, hoe hoger ik kwam, meer en meer bedekt met de mosachtige substantie, waarvan de kleur overging in lichter groen. Het leek ook doorzichtiger te worden en glansde in het licht van mijn inmiddels derde fakkel.
Nu staken er ook twee tot wel tien meter lange, zwarte sprieten uit de wanden waarvan ik nog vaag de roodgeaderde structuur kon herkennen.
Een paar meter verder belemmerden de sprieten mijn weg omhoog. Gelukkig waren ze buigzaam en toen ik er een opzij schoof, hechte zich een bruin-zwart slijm aan mijn armen.

Nog steeds voelde ik de zwakke tocht en dat was maar goed ook. Langzamerhand kreeg een vieze, verschaalde rookgeur de overhand. Naast het slijm leek de geur zich in al mijn poriën te nestelen. Mijn maag spande zich tot het uiterste in om zijn, toch al geringe, inhoud op zijn plaats te houden. De trap werd smaller, steiler en gladder. De sprieten waren talrijk en de stank benam mij bijkans van mijn adem. Ik ging zitten.
Tot nu toe was het doodstil geweest in de tunnel. Alleen mijn klim veroorzaakte geluiden. Nu die weggevallen waren, drong een vreemd en onbestemd geluid tot mij door. Het kwam uit de diepte, ver beneden mij.
Ik luisterde geconcentreerd. Eerst was het nauwelijks waarneembaar, maar snel nam het volume, dat uit het duister omhoog drong, toe. Mijn gehoor kon een soort schuren en schaven onderscheiden dat werd afgewisseld door een, door merg en been gaand, krabben. De zwakke luchtstroom werd afgesneden en de resterende lucht werd zwaar en verstikkend. Naakte angst kneep mijn keel dicht en mijn hart ging als een idioot in mijn borstkas op en neer.
Ik moest weten wat op mij afkwam. Mijn fakkel was bijna opgebrand en ik wierp het ding ver van mij af. Het dwarrelde tussen de sprieten omlaag en bleef, zo’n vijftig meter lager, op een trede liggen. Vlekkerig vaag licht speelde over de groene wanden waarop de sprieten lange schaduwen trokken.
Niets, en toch werd het schrapen en schuiven nu oorverdovend. Zonder nog eenmaal omlaag te kijken klom ik, met een nieuwe fakkel in de hand, zo snel mogelijk verder omhoog, weg van het geluid.

Eerst realiseerde ik het mij niet, maar toen ik hijgend stilstond en luisterde, hoorde ik het schrapen in de verte wegsterven. Mijn met zweet bedekte lichaam huiverde door een tochtvlaag.
Ik haalde diep adem en hoestte en proestte de laatste resten uit mijn maag. De stank was ondraaglijk, maar de angst voor dat onbekende, dat het huiveringwekkende geluid voortbracht, joeg mij hoger en hoger.

De wanden van de tunnel kwamen steeds dichterbij. De groene mosophopingen waren verdwenen en hadden plaatsgemaakt voor druppelvormige, lichtgekleurde slijmuitstulpingen. Die waren vrijwel doorzichtig en lekten vocht dat over de wanden en de trap langzaam zijn weg omlaag vond. Diverse malen was ik al uitgegleden en een keer had ik een val omlaag kunnen voorkomen door mij aan de zwarte sprieten vast te grijpen. Deze werden gelukkig minder, maar mijn weg omhoog werd er niet lichter op.

Ondanks mijn inspanningen kwam ik maar langzaam vooruit. Het geluid was er weer en kwam nu veel sneller dan de eerste keer op mij af. Wat het ook was, het was voorbij aan het mos en in de buurt van de slijmige uitstulpsels, en het had een nieuwe dimensie. Het schuiven en schrapen veranderde in soppen en zuigen, maar was zeker niet minder beangstigend.
Weer wierp ik een fakkel omlaag en toen die eindelijk op een trede bleef liggen zag ik het.

Enorm. Nee een gigantisch, bijna de hele tunnel vullend wit-bruin wormachtig beest bewoog zich omhoog. De bewegingen waren schokkerig en het draaide heen en weer in de tunnel. Ik kon de voorkant en een deel van de bovenkant zien, maar dat was genoeg.
De voorkant was rond en de witte huid had grote plooien die gevuld waren met de groen-zwarte mossen. Daarboven had het een schild dat uit chitine scheen te bestaan en dat glom van het slijm. Het chitineschild ging verticaal op en neer, leek zich vast te zetten en het monster voort te duwen. Het ding was vlakbij de fakkel en stopte aarzelend. Verstard keek ik toe. Het immense beest trilde en leek naar iets te zoeken. Hoewel ik geen bek, neus of iets dergelijks kon ontdekken, had het blijkbaar gevoel. Het leek alsof het knikte. Het chitineschild boog zich over de fakkel en in het laatste, dovende licht hoorde ik, meer dan ik zag, hoe het over de trappen schraapte.

Langzaam drong het tot mij door dat het zich terugtrok en eindelijk ademde ik uit. Zweet droop in stromen van mijn lichaam. Mijn trillende benen begaven het en ik zakte in elkaar op een trede. Mijn ziel was tot in haar diepste diepten geschokt. Minutenlang hing ik daar als een vieze, kapotte lappenpop. Maar mijn veerkracht gaf leven, mijn geest werd weer helder en gaf maar een signaal: ‘Wegwezen!’

Eindelijk leek ik het einde van de tunnel te bereiken. De doorsnede was nu zo’n vijf tot zes meter. De rooddooraderde wanden waren goed zichtbaar en glommen van het slijm, dat in een constante stroom van boven kwam. Maar de taaie, samenstelling werd dunner, minder plakkerig. De sprieten waren helemaal verdwenen, zodat ik gemakkelijk vooruit kwam. Dat was noodzakelijk want de made, larve of whatever werkte zich razendsnel een weg omhoog. Ik nam de laatste treden en stond op een platform. Mijn laatste fakkel verlichte het koepelvormige einde van de tunnel. Ik deed enkele stappen en stond voor een gapende diepte die over de hele breedte van het platform liep. Het licht van de fakkel reikte niet ver, maar wat ik zag deed het laatste restje moed in mijn voeten zinken. Vandaar werd het meegenomen door het slijm en verdween in de richting van het aanzwellend geluid dat door het monstrum werd voortgebracht. Ik kon niet verder en zat in de val.

Op het moment dat ik besloot mij niet meer tegen mijn einde te verzetten, ving ik in mijn ooghoek een beweging op. Mijn ogen schoten omhoog en zagen, enkele meters boven mij, een eeltige bruine hand uit een smalle gang steken. De hand wenkte en scheen mij te roepen. Terwijl ik zo dichtbij als mogelijk naar de hand toe liep, werd de druk in de koepel enorm. Het monster was vlakbij, sloot de hele tunnel af en drukte de lucht voor zijn weke lijf samen. Door de luchtdruk werd ik omhoog gesmeten, kwakte tegen het plafond en gleed hulpeloos langs de hand.
Voordat ik echter in het zwarte gat, aan de andere kant van het platform, in de diepte zou vallen, voelde ik een ruk aan mijn arm. De hand had mij vastgegrepen en trok mij in de smalle gang. Het laatste wat ik zag was het chitineschild, dat langs de ingang van de gang schraapte waardoor de wanden een rode vloeistof afgaven. Ik zakte weg in een diepe bewusteloosheid.

“Hé Herr, sind se wieder von dieser Welt?” hoorde ik de botbrekende stem dicht bij mijn oor. Ik opende mijn ogen. Het eerste wat ik zag, was een eeltige hand die mijn rever vasthield en mij voorzichtig heen en weer schudde.

Achteraf is zo’n droom, als je herinnering je niet in de steek laat, natuurlijk te verklaren. Maar kom maar eens met je verhaal aan bij zo’n medecoupant, die je wakker gemaakt heeft omdat je zo akelig hing te schokken in je slaap en het zweet je over je kop stroomde. Ik weet niet wat de man dacht, maar hij had mij gered uit de verschrikkelijke dagmerrie en ik was hem dankbaar. Vriendelijk knikte ik naar mijn overbuurman n mompelde een woord van dank, zodat hij gerustgesteld op zijn plaats ging zitten.
Ik wist waardoor deze merrie was ontstaan. Mijn ogen zochten naar de “neus”, maar het enige wat ik zag waren twee lege zitplaatsen.

Nr 50 P1300861