DEEL X

De “Knoest”

Stil, zittend in mijn hoekje van de coupé, had ik enige tijd nodig om de schokkende ervaringen van mijn dagmerrie te boven te komen. Vrijheid en doodsangst zijn fantastische emoties, maar ze zijn ingrijpend voor een rustige psyche.
Overigens kan ik die laatste emotie missen als kiespijn. Maar als je deze angst meestert en dan nog steeds leeft, geniet je van ieder moment. Nog voelde ik de harde greep van de eeltige hand op mijn bovenarm.
Onwillekeurig keek in naar mijn overbuurman. Nadat hij mij uit mijn droom had weggesleurd en gezien had dat het mij beter ging, zat hij rustig, met gesloten ogen, op zijn plek. Mijn ogen richtten zich op zijn handen die op zijn bovenbenen lagen. Ze waren breed en de dikke vingers eindigden in platte nagels. Op de bovenste kootjes krulde hier en daar lichtblond – of was het grijs – haar. Zwaar lichamelijk werk, in weer en wind, hadden diepe voren getrokken. Kloven, gevuld met niet meer weg te poetsen vuil van jaren, riepen een beeld bij mij op dat overeenstemde met oude plaatjes. De hard werkende boer, altijd bezig in en met de natuur. Wroetend in de aarde, bezig met stro, hooi, mais en vooral met dieren.

De handen, die een beetje gebogen waren, leken niet plat te kunnen liggen. Jarenlang melken, pas later met de machine, had hen hun onbuigzame vorm gegeven. De polsen waren zwaar, sterk gespierd en droegen bij tot het beeld van onwrikbare wilskracht in een bikkelhard leven. Zijn grijze pak, wat out-dated maar schoon, zat slobberig om zijn brede lichaam. Het was, alsof het ooit voor een nog grotere maat gekocht was en hij in de loop van de jaren kleiner was geworden. Een kleurrijke pochet piepte potsierlijk uit het borstzakje en gaf een vrolijke noot aan het eenvoudige grijs. Een droog soort humor zou de zijne zijn.

Zijn rimpelige nek leek te klein voor de ouderwetse, brede boord van het witte overhemd. De strop van de das was uit de tijd en zat niet strak. Daardoor zag ik dat het bovenste knoopje niet gesloten was. De das paste, ondanks zijn afwijkende kleur, goed bij de vrolijke pochet.Breed, dat was de eerste indruk van zijn gezicht. Zijn hoofd hing een beetje omlaag en de markante, vierkante kin die zich in zijn zware kaakbeen voortzette, verborg maar half het gebruinde vlees. Dat plooide zich naar de zijkant van zijn nek waar het overging in strakke verweerde huid. De jukbeenderen staken net iets teveel naar voren, waardoor zijn vlezige wangen ingevallen leken. Hoewel hij zich geschoren had, werd de huid hier en daar onderbroken door vergeten, grijze stoppels. Zijn brede neus had een knobbelige vorm en was bezaaid met kleine putjes. De wortel verdween tussen zware,
rechte wenkbrauwen, die als een lijn boven zijn ogen ingeplant leken te zijn. De diepte van de rimpels op zijn voorhoofd, evenwijdig aan de wenkbrauwen, waren mogelijk het gevolg van het in de verte over zijn land turen, steeds oplettend dat zijn koeien niets overkwam.

In de buitenlucht droeg hij een pet. De scherpe overgang op zijn voorhoofd zette zich boven zijn oren door. De scheidslijn tussen door de zon gebruinde, verweerde huid en een heel lichte schedel kon niet anders verklaard worden. Zijn laatste grijze haren zaten rommelig op zijn hoofd. Het was alsof zij blij waren onder de pet vandaan te zijn. Intens en zonder met mijn ogen te knipperen had ik mijn overbuur opgenomen. Nu reageerden mijn oogleden en knipperden heftig in een poging om vocht op mijn oogbollen te brengen. Mijn gedachten zweefden, ver buiten deze coupé, naar het vlakke boerenland.
De “Knoest” was aan het werk. Ik zag zijn handen die bezig waren om een van zijn koeien te helpen met het baren van een kalf. Ervaring en kracht waren nodig om het, in vliezen gehulde, jongdier op de wereld te brengen, zonder dat de moeder extra complicaties zou oplopen. De koe loeide en hij praatte zacht op haar in. Zijn merkwaardige stemgeluid joeg haar geen angst aan, maar stelde haar gerust. De handen trokken met gedoseerde kracht aan het touw dat om de beide poten van het kalf geknoopt zat, die uit de vagina van de koe staken.

Geconcentreerd keek hij naar de veearts die de bevalling begeleide. Langzaam gleed het kalf verder de wereld in en lag even later naast zijn moeder in het stro. Maar pas nadat de moederkoek in zijn geheel verwijderd was, brak een brede lach door rond zijn lippen. Zijn handen, rood van bloed en nat van moedervocht, kletsten tegen elkaar. Handenwrijvend stond hij naast de veearts, die zich om het kalf bekommerde. Hij was zo’n boer die, als het even kon, een kalf lang bij zijn moeder liet lopen. Zijn kudde was zijn leven. Zonder morren of mopperen deed hij al het werk dat hij moest doen om zijn dieren een goed en aangenaam leven te geven.
Ik zag hem zitten bovenop zijn open, verouderde tractor. Hij was aan het maaien en het hoge gras bleef, gesneden in lange banen, achter zijn machine liggen. Later keerde hij het enkele malen, zodat het goed gedroogd opgeslagen kon worden. De ene keer werden het balen, die door een loonwerker werden gemaakt. Een andere keer was het gedroogd voor de stevige hoop die, afgedekt, vast voedsel werd waarop zijn dieren de winter door konden komen. Ik zag de hoop in zijn hart dat het niet zou gaan regenen. Gelukkig hielp zijn ervaring hem meestal met het kiezen van het juiste moment.

Zijn stallen waren schoon en de mest van de winter werd gebruikt om het land vruchtbaar te maken, zodat zijn koeien zich in het voorjaar weer op grazig, groene weiden tegoed konden doen aan mals gras.
Hij leek op een oude, knoestige eik, stevig, onverzettelijk en vooral aards. Een menselijk baken in de natuur waarin en waarmee hij in harmonie leefde.
Ik schrok op uit mijn overpeinzingen. Zijn ogen waren open en keken mij vriendelijk aan. Tevredengesteld met wat hij zag, knikte zijn hoofd kort naar mij en viel hij terug in zijn lichte slaap. Zijn strakke smalle lippen vormden, een moment, een glimlach. Ik kreeg het idee dat hij mij, in dat korte ogenblik, even gekeurd had. Dat zijn scherpe ogen hadden gekeken of het mij, na die slechte momenten die ik had gehad, nog steeds goed ging.

Ik realiseerde mij dat een dergelijke man als buur, goud waard was. Zolang je niet om een kopje suiker kwam, zou hij je bij echte moeilijkheden altijd de helpende hand toesteken.
Zo heel anders dan deze tijdgeest van individualisme. Ieder voor zich en God voor wie?
Voordat de gedachte zich kon nestelen dat dit soort mensen aan het uitsterven was, opende hij een oog. Het knipoogde schalks en mijn hart werd gevuld met een grenzenloos gevoel van optimisme en vreugde. Ik wist met zekerheid dat er altijd dit soort mensen, boer of anders zullen blijven bestaan.

Misschien niet als de man tegenover mij, maar toch.

 zon