DEEL XI

Hoop

Net op tijd had ik enige orde in mijn uiterlijk geschapen en zag er weer redelijk toonbaar uit.De coupédeur werd opengetrokken en een vrolijk, jong stel, met een klein kind op de arm, streek in mijn lege coupé neer. Even leek het erop dat hun plezier gedrukt werd door mijn aanwezigheid. Maar zij besloten blijkbaar, om niet op die oude zwetende man aan het raam te letten en kwebbelden verder. Suffig keek ik naar buiten en probeerde mijn onrustige geest in bedwang te houden. “Niet meer dromen, geen gekke medereizigers en trein als het u blieft, snel naar Oetrecht, naar huis.” Maar die bestemming lag nog zeker een klein uur verder in de tijd en wat doe je dan. Buiten was niets te zien. In mijn geest was het een rommeltje en slapen durfde ik niet meer. Wat overbleef was het jonge stel. Mijn hersens voerden een samenspraak.

“Nee, niet meer observeren. Wie weet wat je kromme geest voor een broddelwerk gaat afleveren.” ”Waarschuwingen, waarschuwingen maar zonder alternatieven. Het lijkt wel de politiek.” Misschien kwam er nog koffie of gevulde koeken? Die schijnen er in deze tijd bij te horen. U weet toch dat de NS probeert om de gedachten van zijn reizigers bij u thuis te brengen, op de TV. Ik moet er niet aan denken dat mijn gedachten, die ik tijdens de treinreis had gehad, in beeld zouden komen. Nee, dan maar liever een anonieme reiziger blijven.

Toch kon ik niet om mijn nieuwe medepassagiers heen. Die zetten het kind namelijk tegenover mij op de bank. Het was een kleuter, nee jonger een peuter. Het was misschien net twee of drie jaar oud. Maar daar mag u mij niet op vangen. Ik ben niet zo goed in het schatten van leeftijden van kinderen, klein noch groot.

Het eerste wat het kind deed, was mij, met een onbevangen blik in zijn ogen, aankijken. Nu kan ik er heel goed tegen als mensen mij aanstaren, observeren of gewoon naar mij kijken. Maar met kleine kinderen, zeg maar kinderen in het algemeen, heb ik het moeilijk. ”Niets is zo vertederend als een kind.” zult u zeggen, maar dat is niet altijd waar. Alleen een kind kan een volwassene zo onbelemmerd, indringend en niet geremd door conventies aankijken. Lang geleden, toen ik nog een kind was, deed ik dat ook. Nooit heb ik daarvoor straf of slaag gehad, zelfs geen opmerking.

Dat moet u eens proberen als u ouder bent, volwassen zoals dat heet. Je kan harde woorden verwachten zoals: “Heb ik wat van je aan vader?”, maar een klap voor je kop is ook mogelijk. Je dringt dan zogenaamd de privacy van de ander binnen. Maar als een kind mij aankijkt, voel ik mij altijd een beetje

onbeholpen. Ik weet eigenlijk nooit of het zal gaan lachen, of gaan huilen. Het verschil tussen deze twee kleine woorden is een wereld. Een lach uit het mondje samen met de grote, ronde, onschuldige ogen geven mij een soort geluksgevoel. Het schiet door mijn geest en zegt: “Gelukkig, het huilt niet.” Als het je aankijkt en gaat huilen – je ziet dat het gaat gebeuren, kunt er niets aan doen, maar hoopt dat het niet zover komt – krijg ik een akelig gevoel: “Zie je nou wel, het jankt.” In beide gevallen kan je reageren. Dat doe ik dan ook meestal en soms pakt dat goed uit. Voelt u dat ik moeite met kinderen heb? Ik heb het kind een aantal keren aangeduid als “het”, terwijl “het” een hij of een zij is.

Maar nu had ik mazzel en hoefde in het geheel niet te reageren, want de jonge moeder drukte het kind een flesje in de mollige vingertjes. Daarmee was de aandacht vooreerst van mij afgeleid. Toch maar eens in het raam kijken, wat het eigenlijk voor een soort mensen waren. Voorzichtig keek ik naar buiten. Nee, u weet inmiddels dat ik in het raam keek, daarin weerspiegelde de coupé. Het beeld bewoog een beetje door de invloeden van buiten op de ruit, maar toch was het zicht goed.

Hij was rechtshandig, dat kon niet anders. Zij zat namelijk in het hoekje bij de deur en hij had zijn lange arm om haar heengeslagen zodat zijn rechterhand alle vrijheid had. Zonder gêne – want ik keek toch naar buiten en hun kind was bezig -betastte die hand haar slanke figuur. Toch bleef het een luchtig geheel, beslist geen vorm van animalische liefdes-verklaringen. Gelukkig, het waren het soort verkenningen waar ik mij vroeger ook schuldig aan had gemaakt, dus waarom niet.

Nee lezer, houd uw dirty mind maar voor u zelf. Het was écht leuk om te zien. Jong en emotioneel geladen, soms wat aarzelend, maar vol optimisme en levensvreugd, dat was hetgeen ik zag. Tijden veranderen, mensen veranderen, maar maken eenzelfde soort ontwikkeling door. Hoezo, bedacht ik mij, is de jeugd slecht? Die tien procent die het voor de anderen probeert te verzieken? Zelfs al was het meer, dan nog was het grootste gedeelte van de jeugd de toekomst, onze toekomst en dus onze hoop.

Met warmte dacht ik aan mijn zoon, ook een jong mens. Zij zullen het in de toekomst gaan maken en hopelijk kunnen wij daar bij zijn en dat volgen. Maar allemachtig, ik moet opletten dat dit verhaal nog een beetje inhoud krijgt en niet verwarrend overkomt. Ik geloof dat ik, door mijn belevenissen, ze niet helemaal meer op een rij heb staan. Het was een fris stel. Schone kleren en het kind zag er verzorgd uit. Het was vast een jongetje, tenminste als ik op de kleine tuinbroek en het rode truitje kon afgaan. De voetjes staken in echte lederen schoentjes van een duur merk. Het manneke – dat zegt mijn oud-tante nog altijd als ze over mijn zoon van vierentwintig praat – lurkte driftig aan zijn flesje dat halfleeg was. De onbestemde inhoud kon hem plots niet meer boeien en de fles belandde op de grond.

“Nu gaat ie janken”, stond voor mij vast. Maar nee hoor, direct staakte pa zijn verkenningen, pakte het flesje en maakte het schoon met een witte zakdoek.

“Heb je geen zin meer Chantalletje, schatje van mij?” Terwijl hij een soort samenspraak met zijn dochter begon, schaamde ik mij diep. Het was dus een meisje. Waarom had ik dat niet gezien? Was ik nu werkelijk zo stom? Om hiervan wat te leren, keek ik aandachtig naar de kleine. Was het het haar, waren het de ogen?

Ik richtte mijn blik op de jonge vrouw, automatisch een glimlach op mijn lippen brengend. Dat was maar goed ook, want ze keek naar mij. Zag ik enige afkeuring in haar blik? Jeetje, ik kon er toch ook niets aan doen, dat ik gedacht had dat het een jongen was. Hadden ze het maar in rose moeten kleden of een rokje moeten aandoen. Nee, dat was nu wel echt ouderwets gedacht. Zo conservatief ben ik zelfs niet. Ook mijn kleding heeft kleuren, die je niet bij een oude bok zou verwachten. Hoe ouder hoe gekker? Ik weet het niet, maar ondertussen lachte ik vriendelijk naar de vrouw en keek naar haar man, die nog steeds met het kind speelde.

Zij, want dat wist ik nu zeker, kraaide van plezier toen hij een soort kietelspelletje op haar buikje speelde. Bijna liet ik mij verleiden om wat tegen de jonge moeder te zeggen, maar net op tijd kon ik mij inhouden. Stel je voor dat het contact goed was. Dan zat ik binnen niet al te lange tijd, door eigen schuld, met dat kind opgescheept terwijl zij rustig van elkaar konden genieten.

Nee, dan maar ietwat nurks overkomen, dan blijven ze op afstand.

De coupédeur ging open en de controleur van de plaatsbewijzen stapte de coupé in. Deze kaartjesknipper, die ik in Duitsland verwacht had, was van het Nederlandse spoor. Zijn uniform zat als gegoten, zijn blik was vriendelijk en oplettend, een beetje vaderlijk. De enige dissonant was zijn stem, die een onverwacht hoge klank had. Maar dit was een man aan wie je kon zien dat hij “er voor ging”.

Op mijn vraag: “Hoe lang nog naar Utrecht conducteur?” schoot direct een raar antwoord door mijn hoofd: “Nog heel lang kleine smurf”; maar hij zei gewoon “Nog vijfendertig minuten meneer.” Hij keek even naar het kind, knipoogde, lachte vriendelijk naar het hele stel en weg was hij om de volgende te knippen. Het meisje had hem met haar grote, bruine ogen strak aangekeken en hij, die met kinderen kon omgaan, had gelachen. Toch had de kleine Chantal daarop niet gereageerd, maar was hem aan blijven kijken. Vreemd eigenlijk dat kinderen niet altijd op een lach reageren.

Nu de conducteur weg was, kreeg ze van haar moeder een beer. Nee niet zo’n harig zacht geval, een moderne. Deze zat wat slap in zijn kleding en waar de bek zat was een gat. Schoon was hij niet, maar welke knuffelbeer is dat wel? Ze hield van hem en drukte het kleurige geval dicht tegen zich aan. Ze keek even naar haar ouders. ”Een stuiver voor je gedachten”, dacht ik bij mijzelf terwijl ik het paar in de ruit observeerde. Die keken naar hun kleine en zagen er erg gelukkig uit. Chantalletje had genoeg gezien en dreutelde wat met haar beer.

Ik trof het met mijn kleine overbuurvrouw. Ze zat stil en bleef zitten. De hele vijfendertig minuten lang, tot Utrecht, kwam ze niet van haar plaats. Dan heb ik ze, kleine peuters en kleuters, wel anders meegemaakt. Ze kruipen overal over, bovenop en af, kijken niet uit waar ze hun lieve voetjes zetten en overal moeten ze aan zitten met hun kleine vingertjes. Als je daar dan wat van zegt, gaat dat mondje open en produceren ze een geluid alsof hemel en aarde vergaat.

En dan de reactie van die ouders. “Wat is er liefje? Niet doen schatje. Foei kindje”, terwijl liefje, schatje of kindje de boel op zijn kop zetten en een duidelijke reprimande op zijn plaats zou zijn. Grenzen, als die er zijn, moet je naar mijn mening aangeven. Zo ver en niet verder. Volgens mij begrijpt een kind consequent gedrag, maar kan zich minder vinden in een zwalkend gedogen.

Maar het kleine meisje tegenover mij, was een lieve peuter. Ze wist blijkbaar wat ze wel of niet mocht. Haar ouders waren dan ook erg attent en schenen haar wensen te kennen, nog voordat ze die aangaf. Haar onbevangenheid leek een brug te slaan. Ik keek onbekommerd naar haar terwijl zij met haar beer aan het spelen was. Ik week zelfs niet uit, toen zij mij met haar grote, bruine ogen  nieuwsgierig opnam. Ik voelde mij tegenover deze kleine dame in spe op mijn gemak. En stel u voor, ik lachte naar haar. Zij lachte ook. Maar ik had gevoeld dat zij terug zou lachen. Eindelijk zat ik weer goed in mijn vel.

Wat ik aan dit laatste deel van mijn reis overhield was een goed gevoel. Nee niet de gedachte: “Zo kan het ook.” Gewoon, een goed gevoel. U herkent dat toch nog wel? Een tevreden gevoel, hoewel ik mij realiseer dat wij met zijn allen niet meer gauw tevreden te stellen zijn.

Eindelijk stopte de trein in Utrecht CS, maar dat gevoel van tevredenheid heb ik nog lang bij mij gedragen. Zo lang, dat toen mijn vrouw vroeg of ik een goede reis gehad had, ik tegen haar zei: “Schat het was een fantastische reis” en daar heb ik geen woord van gelogen.

avondrood_jpg