Deel III

 

Intermezzo, de overstap

 

Ondanks mijn geestverruimende ontmoeting, stak een lichte vorm van paniek de kop weer op. ‘Foute trein’, schoot het, voor de zoveelste keer, door mijn hoofd. In plaats dat je rustig en ontspannen naar Nederland gaat, zit je gestresst in een trein die in Duitsland blijft en zelfs naar het Oosten rijdt. O p zo’n moment steekt gelukkig het kind in mij zijn hoofd boven het maaiveld en zegt: ‘Nou en, wat leuk! Nieuw, ontdekkingen, spannend en wat maakt het uit.’

Helaas, mijn oudere, rationele ik neemt het snel, te snel, over en schoffelt het kind weer onder het maaiveld. Het maakt wat uit. Ik moet u zeggen dat ik liever de kindgedachte zou willen koesteren. De oudere ik is niet echt vriendelijk op zo’n moment. Die begint gelijk te schelden. Zoiets als: ‘Stom rund, zak!’ en dan richt de boosheid, ontstaan door onzekerheid, zich op diegene die er natuurlijk niet is. Juist ja, de in het blauw gestoken Bahnbeambte die mij en dat vergeet ik niet, verzekerde dat ik in de juste trein gestapt was.

Dat is dus de klootzak! Maar die zak is er niet. Daarom vervloekte ik nog een keer mijn eigen stommiteit en vroeg mij af wat mij nu werkelijk te doen stond. In dit geval stond ik op en ging op zoek naar iemand in geüniformeerd blauw, in de hoop hij mij zou kunnen vertellen waar ik zou moeten uitstappen om direct daarna weer in te stappen in een trein richting  Nederland. Uiteindelijk, meer zweet producerend dan kon verdampen zodat mijn hemd aan mijn lijf plakte, vond ik, wat verfomfaait, zo’n man.

Mijn gezicht met een grote, witte zakdoek deppend, om er in meer of mindere mate goed uit te zien, vroeg ik de man in blauw heel vriendelijk, welke bestemming deze trein had. Verbaasd keken zijn rooddoorlopen ogen mij aan. Mijn elan was onder de druk van de omstandigheden ver weg, alsook mijn Duits. Maar op dat moment vond ik het aannemelijker dat hij de dag ervoor goed genoten had van het heimi­sche bier, waardoor ik mijn vraag moest herhalen. Weer die verbaasde blik, maar nu ook een antwoord: ‘Bremen.’

‘Shit, Bremen?!’
‘Zie je wel zak’, snauwde mijn oudere ik weer vernietigend, ‘je zit verkeerd. Je kan niet zomaar iemand geloven ook al staat hij in het blauw.’ Met veel moeite beheerste ik de opkomende woede en nervosi­teit van de oude ik. De nog jonge hond in mij, net nog boven het maaiveld uitstekend, vond het prachtig.

Bre­men.
Je moet dat woord proeven, over je tong laten rollen en ineens wist ik het. Na­tuurlijk Bremerhafen. Nog avontuurlij­ker! Mijn wijze ik nam over en begon de man in het blauw, nogal uitgebreid en een tikje hooghartig, te vertellen hoe, waarom en vooral door wie, ik in deze trein beland was. Ook waar ik eigenlijk heen wilde en dat was beslist niet naar Bremen! Waarschijnlijk had ik teveel nadruk in deze laatste zin gelegd en kwam de man in blauw uit die stad. Misschien had hij gewoon slecht geslapen, of was zijn humeur altijd slecht.

“Holland, na…”en een vals grijns kroop over zijn lippen. “Falscher Zug! JaJa… Duisburg Raus!” Met een ruk draaide hij zich om en verdween in de drukte tussen de andere passagiers. Verwart klemde mijn geest zich vast aan een woord: ‘Duisburg’. Dat “Raus” beviel mij niet. Hij had ook kunnen zeggen “aussteigen bitte”, maar misschien had ik hem wel beledigd. Zwetend als een os en met snel kloppend hart wachtte ik, staand bij een uitgang, op het verlossende station. Dat mocht ik niet missen, want daar was het dus “raus” en “drein” in een andere train naar Oetrecht, maar dat moest ik ter plaatse nog informeren.

Na deze slechte ervaringen, maakte ik mij grote zorgen. Twij­fel knaagde aan het geloof in de goede intenties van de mensen in het blauw. Waren er überhaupt wel aardige, helpende en goed geïnformeerde typen in deze kleur. Hoe had de ‘gier’ dat eigenlijk aangepakt? Een druppel zweet viel van mijn wenkbrauw op mijn wimper en rolde mijn oog in. Het prikte en om aan het prikkende gevoel een einde te maken, knipperde mijn oog heftig. Pas nu merkte ik de naast mij staande voluptueuze, blonde dame op. Terwijl mijn goede oog haar opnam, sperde zij haar ogen wijd open en opende haar mond op schreeuwstand. Wonderlijk genoeg kwam er kwam geen geluid uit. Nog steeds driftig knipperend met mijn ooglid, keek ik verbaasd naar de wat weke trekken van haar gezicht waarvan de geopende mond een hard middelpunt was. De spieren rond haar mond leken bevroren. De O  vorm gaf echter nog steeds geen geluid. In de donkerte, achter haar vaalwitte tanden, kon ik zelfs haar roze tong roerloos zien liggen.

Een gehandschoende hand gleed, bijna onmerkbaar, naar de O toe en bedekte die. In haar opengesperde ogen las ik afgrijzen en paniek. Allemachtig, ik had haar niet eens echt aangeke­ken en zeker niet geknipoogd. Maar voor­dat zij haar sirene aan zou zetten en er werkelijk geluid uit die O zou komen, moest ik wat doen om dat te verhinderen. Ik kon mij voorstellen dat “der Man im Blauw aus Bremen”, of Hafen, hier niet blij mee zou zijn. Mijn hand schoot naar mijn, nog steeds knipperende, rechteroog en begon dat flink te wrijven.

“Scheissfliege” zei ik luid en duidelijk. Op alles voorbereid en om haar reacties te peilen, keek mijn goede oog haar strak aan. Gelukkig verscheen er een glimp van begrip in haar fletse ogen. Het was een korte glimp die zielig meteen verstarde, toen ik mijn hand uit mijn, nu rode, oogkas haalde. Maar mijn oog zat dicht en knipperde niet meer. Zichtbaar gerustgesteld draaide ze zich van mij af en keek strak voor haar uit, terwijl haar O zich met een klap sloot. De trein begon aan een lange remweg en rolde even later een station binnen. Nerveus probeerde mijn goede oog, door het vieze glas van de deur, bordjes te herkennen. ‘Duisburg’ schoot voorbij, maar ik had het gelezen.

“Raus”.
Het bleek dat ik mij druk had gemaakt voor niets. Toch stapte ik haastig uit en trapte daarbij de voluptueuze dame, per ongeluk of was het expres, op haar teen. Aangezien ik scheldende mensen ordinair vind, draaide ik van haar weg en vond in no-time een persoon gekleed in uniformblauw. Dit keer was het een vrouw met lange, zwarte haren en een breed, rond gezicht. Gelukkig had ze geen pet op. Als ze die al had, was ze tenminste zo verstandig haar hoofd niet nog meer te ontsieren met zo’n klep voor haar ogen. De blauwe vrouw bleek een vriendelijke vrouw te zijn. Nadat ik uitgelegd had wat mij overkomen was, gaf zij aan dat er over twintig minuten een trein uit Hamburg op dit station zou stoppen met bestem­ming Rotterdam, natoer­lijk via Oetrecht.

Ik slaakte een duidelijke zucht van verlichting. Ze merkte deze luchting van mijn hart, keek mij meelevend aan en lachte waarbij zij haar parelwitte tanden liet zien..  Of ik weinig met de trein reisde?’ Hoewel ik eigenlijk rustig wilde gaan zitten om mijn nerveuze geest tot bedaren te brengen, kon ik natuurlijk niet zo onfatsoenlijk zijn om deze reddende engel een praatje te weigeren. ‘Nee, ik reisde niet zo vaak met de Zug en Ja, dat had ze wel uit mijn reactie begrepen. En nee, ik hield eigenlijk helemaal niet van treinen, want meestal ging er iets verkeerd.’

‘Ja een ongeluk komt niet alleen en bij de Bundesbahn, wil er wel eens iets fout gaan.’ Om dat laatste te verzachten begon ik haar uit te leggen dat de NS, die Niederländische Spoorwegen, dezelfde fouten maakt. Niet wetend wat het motto voor de Duitse trein was, vertelde ik haar een Nederlandse motto: ‘Wij gaan er voor!’ Misschien was mijn vertaling niet correct, of kwam het gewoon rottig mijn strot uit, want haar lichaam schudde van het lachen.        ‘Natuurlijk, je ging er altijd voor’, zei ze.’De trein kon toch niet stil blijven staan.’ Nog steeds parelwit lachend om het, in haar ogen, domme motto – dat ik eigenlijk wel goed vind als je het maar waar maakt – draai­de zij zich om en liep met een zware, heupwiegende gang haarsweegs, waarschijnlijk om echte noodgevallen te gaan helpen. Maar ze had gelijk en daarmee eigenlijk een bos bloemen verdiend. In gedachten kreeg zij van mij een roos.

De lange trein uit Hamburg was precies op tijd en zie daar, zelfs op de mededelingsborden op het perron verscheen het bericht dat het ding naar Rotter­dam ging. Geen avonturen meer, gewoon naar huis.

 

Roos